Waar zullen we brood halen

From SPIRIN
Jump to: navigation, search
Gedachten over Herbronning
Jakob en de Engel.origineel.jpg

Waar zullen we brood halen?
Gedachten over Herbronning – Deel 09
Pierre Humblet




Waar zullen we brood halen?
Gedachten over Herbronning – Deel 09

Pierre Humblet    2007Published


“Waar zullen we brood halen?” – Gedachten over herbronning (9)[1]

De publieksmanifestaties die 2000 jaar geleden rond Jezus ontstonden, waren veel spontaner dan het congres dat de KNR op 3 oktober 2007 organiseert. Er werden geen folders gedrukt, er was geen sprake van inschrijvingsprocedures, er waren geen stoelen die gereserveerd konden worden en ook de catering werd opgelost door maar wat te improviseren. De kosten vielen dan ook heel wat lager uit, ook al was het bezoekersaantal veel hoger – vijfduizend volgens het verhaal dat we hier afdrukken.

Vijfduizend mensen krijgen te eten
[1] Enige tijd later stak Jezus het meer van Galilea over, ook het meer van Tiberias genoemd. [2] Een grote massa mensen volgde Hem omdat ze de tekenen gezien hadden die Hij aan de zieken verrichtte. [3] Jezus trok het gebergte in en ging daar zitten met zijn leerlingen. [4] Het was kort voor het Joodse paasfeest. [5] Toen Jezus zijn ogen opsloeg en zag dat er een massa mensen naar Hem toestroomde, zei Hij tegen Filippus: ‘Waar zullen we brood halen om al die mensen te eten te geven?’ [6] Dit zei Hij bij wijze van proef; Hij wist zelf wel wat Hij ging doen. [7] Filippus antwoordde: ‘Zelfs als we voor tweehonderd denariën brood kopen, is dat niet genoeg om ieder ook maar een klein stukje te geven.’ [8] Een van zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, merkte op: [9] ‘Er is hier een jongen die vijf gerstebroden en twee gedroogde visjes bij zich heeft; maar wat hebben we daaraan voor zo’n aantal?’ [10] Hierop zei Jezus: ‘Zeg tegen de mensen dat ze moeten gaan zitten.’ Er was daar veel gras en ze gingen dus zitten; er waren ongeveer vijfduizend mannen. [11] Daarop nam Jezus de broden, en na het uitspreken van het dankgebed deelde Hij ze uit onder de aanwezigen, en zo ook de vissen, zoveel ze maar wilden. [12] Nadat ze volop hadden kunnen eten zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘Verzamel nu de overgebleven brokken, zodat er niets verloren gaat.’ [13] Ze verzamelden ze dus: twaalf korven vulden ze met brokken die van de vijf gerstebroden na de spijziging waren overgebleven. [14] Bij het zien van het teken dat Jezus verricht had, zeiden de mensen: ‘Dit is ongetwijfeld de profeet die in de wereld komen zou.’ [15] Omdat Jezus doorhad dat ze Hem met alle geweld gingen meenemen en tot koning uitroepen, trok Hij zich weer, geheel alleen, in het gebergte terug.(Johannes 6,1-15)

Omdat ze de tekenen gezien hadden

“Waar zullen we brood halen om al die mensen te eten te geven?” Met die vraag stelt Jezus in Johannes 6,5 een probleem aan de orde dat nogal uit de lucht komt vallen. Een grote menigte volgt hem naar een eenzame plaats. Hij heeft daar niet om gevraagd en ook hebben die mensen hem niet om brood gevraagd. Het is daarom ronduit verrassend hoe Jezus zich hier plotseling druk lijkt te gaan maken om hun voeding.

Eigenlijk kwamen al die mensen misschien zelfs wel ongelegen. Hij zocht – zoals wel vaker – juist een eenzame plaats op om even met zijn leerlingen alleen te zijn. Na afloop, zo staat er, trok hij zich zelfs “geheel alleen, in het gebergte terug” (Joh. 6,15).

Wat opvalt in de manier waarop Johannes ons dit ver­haal vertelt, is dat er geen sprake is van verkon­di­ging. Eigenlijk zou je een dergelijk tafereel verwach­ten na een moment van langdurig onderricht. Lucas (9,11) en Marcus (6,34) vertellen het in hun versie van het verhaal in ieder geval zo. Bij Johannes is dat echter niet aan de orde. Meteen op het moment van de komst van deze menigte wordt de vraag naar hun voeding al gesteld. Kennelijk is dat toch hetgeen waar het hier om draait. Het is dus vreemd gesteld met dit publieks­congres van Jezus. Komen de mensen wel voor dat waar het hem om gaat, voor zijn boodschap?

Vers 2 zou ons de indruk kunnen geven dat dat inder­daad niet het geval is, want deze massa “volgde Hem omdat ze de tekenen gezien hadden die Hij aan de zie­ken verrichtte.” Het lijkt een soort tweederangs mo­tief en de neiging ontstaat om te denken dat bij deze mensen niet ‘het ware geloof’ in Jezus de drijf­veer is, maar iets dat we in onze tijd al snel in de hoek zetten van bijgeloof, New Age of consumptieve religiositeit. Toch diskwalificeert Jezus hen niet, ook al krijgen ze een erg consumptief antwoord. Ze worden gevoed op zo’n manier dat het hen nog lang zal heugen. Tot op de dag van vandaag wordt ons hun verhaal doorverteld.

Bij Johannes hebben tekenen een positieve rol in het tot geloof komen. Dat zien we al bij het eerste teken dat Jezus verrichtte, bij de bruiloft in Kana:

Dat was het begin van Jezus’ tekenen, te Kana in Galilea. Hij openbaarde zijn heerlijkheid en zijn leerlingen geloofden in Hem.

Deze tekenen openbaren ‘zijn heerlijkheid’, zijn be-teken-is. Ze helpen ons om hem werkelijk te leren kennen. Al meteen aan het begin van zijn optreden, plaatst dit wonder van Kana hem bijvoorbeeld in het perspectief van de Messiasverwach­ting, waarin vaak de beelden ‘bruiloft’ en ‘overvloedige wijn’ een rol speelden, zoals in de onderstaande woorden.[2]

“Ik neem u als mijn bruid, voor altijd, als mijn bruid, in recht en gerechtigheid, in goedheid en mededogen, als mijn bruid, in trouw: dan zult u de heer leren kennen.” (Hosea 2,21-22) “De heer van de machten richt op deze berg voor alle volken een feestmaal aan met uitgelezen gerechten, een feestmaal met belegen wijnen, verrukkelijke, uitgelezen gerechten, belegen, gelouterde wijnen.” (Jesaja 25,6)

Deze Hosea-tekst maakt duidelijk, dat “De heer leren kennen” een feest op zich is, dat als het goed is het begin inluidt van een duurzame en intieme relatie.

Zover was de menigte die op Jezus afkwam nog niet. Men kwam hem achterna om de tekenen die hij had bewerkt aan de zieken (Joh 6,2), niet om een band met hem aan te gaan. Het is dan ook treffend hoe Jezus hier een wending geeft aan het verhaal en hen iets begint te geven waar ze niet om vragen. Ze krijgen voeding naar behoefte: “Daarop nam Jezus de broden, en na het uitspreken van het dank­gebed deelde Hij ze uit onder de aanwezigen, en zo ook de vissen, zoveel ze maar wilden.” (Joh 6,11)

Wordt dat niet veel te duur?

Filippus had zo zijn bedenkingen bij de gedachte van Jezus om deze massa te voeden. Zelfs twee­honderd denariën (tweehonderd daglonen, dus ruim zes maandsalarissen) zijn hiervoor niet genoeg:

Filippus antwoordde: ‘Zelfs als we voor tweehonderd denariën brood kopen, is dat niet genoeg om ieder ook maar een klein stukje te geven.’ (Joh 6,7)

Dergelijke overwegingen rond de kosten gelden natuurlijk ook in onze tijd, zeker bij de organisatie van zoiets als een publieksmanifestatie. Jezus gaat er in onze tekst niet op in. Hij laat het antwoord van Filippus rustig in de lucht hangen, zo lijkt het. De vraag wat het mag kosten, wordt op een totaal andere manier benaderd.

Ook op dit punt klinken teksten uit het Oude Testament op de achtergrond mee. Ze kunnen ons helpen om dichter bij de kern te komen. In Jesaja 55 wordt de heilsverwachting geschilderd met beelden van verzadigd worden met voldoende drinken en eten uit Zijn hand. Geld speelt daarbij geen rol, althans geld voor brood in materiele zin:

[1] Kom, wie dorst heeft, hier is water; en allen die geen geld hebt, kom, koop koren en eet zonder geld, en drink wijn en melk zonder betaling. [2] Waarom besteedt u geld aan wat geen brood is, en loon aan iets dat niet verzadigt? Luister aandachtig naar Mij, en u zult eten wat goed is, en uw honger stillen met uitgelezen spijs.[3] Buig uw oor en kom naar Mij, luister en u zult leven; een eeuwig verbond zal Ik met u sluiten, de gunstbewijzen die Ik aan David heb gezworen. (...)[6] Zoek de heer, nu Hij te vinden is, roep Hem aan: Hij is dichtbij. (Js 55,1-6)

Deze tekst laat geen ruimte voor misverstanden. Leven uit Zijn Woord en naar Zijn verbond moet ons voedsel zijn: “Luister aandachtig naar Mij, en u zult eten wat goed is”. (Js 55,2) Dit is het type voedsel dat voor geen geld te koop is en dat verzadigt zoals geen brood dat kan.

Jesaja schrijft hier tegen de achtergrond van de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Een typisch moment van herbronning in de geschiedenis van Israel. Hij benadrukt dat deze terugkeer niet alleen een weer naar huis gaan moet inhouden, maar ook een zich weer toewenden van het volk naar zijn God. Een spirituele thuiskomst:

De goddeloze moet zijn weg verlaten, de boosdoener zijn gedachten, en terugkeren naar de heer, die zich over hem ontfermen zal; naar onze God, want Hij vergeeft rijkelijk. (Js 55,7)

Voor dit “terugkeren naar de heer”, voor deze weg van herbronning, geeft hij een oersimpel recept. Ga weer leven vanuit de bronnen die het fundament vormen van het verbond en daarmee de spil van de identiteit van Israel, het woord van God:[3]

Buig uw oor en kom naar Mij, luister en u zult leven… (Js 55,3)

Zoek de heer, nu Hij te vinden is, roep Hem aan: Hij is dichtbij. (Js 55,6)

Hij is dichtbij

De gedachte ‘Hij is dichtbij’, lijkt ook bij de menigte die Jezus volgde te hebben post gevat. Maar voortdurend spelen daar vragen doorheen over zijn identiteit. Wie is hij dan die ons hier zo nabij is? In vers 14 denkt men tot een conclusie te kunnen komen:

Bij het zien van het teken dat Jezus verricht had, zeiden de mensen: ‘Dit is ongetwijfeld de profeet die in de wereld komen zou.’ (Joh. 6,14)

Jezus ziet dan de bui al hangen, waarna hij aan deze nabijheid een abrupt einde maakt. Hij trekt zich in de eenzaamheid terug:

Omdat Jezus doorhad dat ze Hem met alle geweld gingen meenemen en tot koning uitroepen, trok Hij zich weer, geheel alleen, in het gebergte terug. (Joh 6,15)

We worden hier geconfronteerd met de oermenselijke verleiding om God of Jezus in onze eigen ka­ders in te passen en zelf te bepalen wat hij is. Zou het helpen ons vooral te richten op de beleving van deze nabijheid zelf? Want misschien schuilt daarin wel de essentie: dat Hij die Is ons in Jezus nabij is.

Ik ben het brood om van te leven.

Johannes helpt ons een handje bij de uitleg van wat hier gebeurt. Hij heeft in deze tekst allerlei eucharistische verwijzingen verstopt.[4] Er wordt bijvoorbeeld gesproken van het ophanden zijn van het Joodse paasfeest (Joh 6,4), het nemen van de broden, het uitspreken van het dankgebed (eucharistèsas) en het delen (Joh 6,11). Dit verhaal grijpt vooruit naar het laatste avondmaal, waarin Jezus ons zichzelf als voedsel geeft: “Neem en eet, dit is mijn lichaam.” (Mt 26,26)

In die geest komt het tafereel waarover we hier lezen verderop in Johannes 6 tot een oplossing. De menigte volgt hem naar Kafarnaüm en daar ontstaat een gesprek rond het brood dat hij hen gaf. Daarin worden de volgende woorden gesproken:

Jezus hernam: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven; mijn Vader is het die u het brood uit de hemel geeft, het echte. Want het brood dat God geeft, is Hij die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft.’ ‘Heer,’ zeiden ze, ‘geef ons dat brood dan, voor altijd.’Jezus antwoordde: ‘Ik ben het brood om van te leven. Wie naar Mij toe komt krijgt geen honger meer, en wie in Mij gelooft krijgt nooit meer dorst. (Joh 6,32-35; zie ook 6,48-51)

Er is maar één zinvol antwoord mogelijk op de vraag “Waar zullen we brood halen om al die mensen te eten te geven?” Hij zelf is dat brood. En dat brengt ons meteen terug bij de vraag van de kosten van het voeden van al deze mensen. Hij gaf er zijn leven voor, de allerhoogste prijs.

Op een heel bijzondere manier is daardoor ook het verhaal van de broodvermenigvuldiging een verhaal van herbronning. Hij heeft zichzelf tot bron gemaakt: Wie naar Mij toe komt krijgt geen honger meer, en wie in Mij gelooft krijgt nooit meer dorst. (Joh 6,35)

Vijf gerstebroden en twee gedroogde visjes

Herbronning houdt ook in: zelf bron durven worden. En zoals dat gold voor Jezus, geldt dat ook voor wie hem volgt, voor ons. Wat we te bieden hebben lijkt soms weinig voor te stellen in verhouding tot dat waar behoefte aan is. Maar Johannes beziet dat anders. Ook het weinige dat wij hebben en zijn, kan voedsel voor velen worden:

Een van zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, merkte op: ‘Er is hier een jongen die vijf gerstebroden en twee gedroogde visjes bij zich heeft; maar wat hebben we daaraan voor zo’n aantal?’ (…) Daarop nam Jezus de broden, en na het uitspreken van het dankgebed deelde Hij ze uit onder de aanwezigen, en zo ook de vissen, zoveel ze maar wilden. (Joh. 6,8-9.11)

Jezus en de leerlingen delen hier uit van de vijf broden en twee vissen van een eenvoudige jongen. Hij stelt het weinige dat hij heeft ter beschikking om het te laten wegschenken. In de handen van Jezus en onder Zijn zegening wordt ook dat wat wij hebben en zijn tot levend brood.

Misschien is dat ook wel het wezen van religieus leven: dat we met Hem verbonden zijn en onszelf uit Zijn handen laten wegschenken en uitdelen.

Dat brengt ons ook weer terug van het ‘publiekscongres’ van Jezus naar de manifestatie van 3 oktober. Doel van dit gebeuren is de presentatie van onze tradities van religieus leven, als een rijke bron waar ook anderen uit kunnen putten om “hun eigen spiritualiteit in werk en leven vorm te geven”.[5] Kan ons leven antwoorden bieden op het verlangen van anderen naar stilte, verbondenheid en bezieling? Dat kan. Maar wat Johannes ons daarover leert, is dat dit sterk afhangt van de vraag of wij daarin zelf in nauwe verbondenheid leven met onze eigen bronnen en met Hem die daarvan het centrum is.


  1. Dit is het negende deel van een artikelen­reeks over herbronning. De eerste afleveringen verschenen in de KNR-bulletins van decem­ber 2002, februari 2003, april 2003, februari 2004, december 2004, februari 2005, december 2005 en februari 2007. Bij deze reeks hoort ook het artikel: ‘Zal ik nog liefde genieten, nu ik oud ben?’, Nieuw elan voor het religieuze leven, gepubliceerd in het tijdschrift Speling 48 (2006), nr. 1. Al deze voorgaande delen kunt u vinden op de website van de KNR: http://www.knr.nl/Publicaties en binnen dit project.
  2. Jane S. Webster, Ingesting Jesus. Eating and Drinking in the Gospel of John, Academia Biblica no. 6, Society of Biblical Literature, Atlanta, p. 40.
  3. Zoals bij ieder herbronningsproces speelde er ook bij deze terugkeer uit de ballingschap meer dan enkel een terugkeer tot de oude bronnen. Ze werden in dit verband grondig herijkt en herzien op grond van nieuw opgedane ervaringen en veranderde gods-, wereld- en mensbeelden. In een volgend artikel zullen we daar nader op ingaan.
  4. Francis J. Moloney s.d.b., Signs and Shadows. Reading John 5-12, Fortress Press, Minneapolis 1996, p. 35-38.
  5. Zie de congreswebsite: www.bewogenheid.nl. (In de periode na dit publiekscongres is deze congres-website omgevormd tot een publiekssite die informeert over open activiteiten vanuit de wereld van de religieuzen, waaraan kan worden deelgenomen. Specifieke informatie over het congres van 3 oktober 2007, zoals de teksten van de lezingen, vindt u daar onder de menuknop Congres.)