Toen ging Hij mee naar binnen om bij hen te blijven

From SPIRIN
Jump to: navigation, search
Gedachten over Herbronning
Jakob en de Engel.origineel.jpg

Toen ging Hij mee naar binnen om bij hen te blijven.
Gedachten over Herbronning – Deel 03
Pierre Humblet




Toen ging Hij mee naar binnen om bij hen te blijven.
Gedachten over Herbronning – Deel 03

Pierre Humblet    2003Published


Toen ging Hij mee naar binnen om bij hen te blijven – Gedachten over herbronning (3)

In het tweede deel van deze artikelenreeks over herbronning van het religieuze leven, namen we ons startpunt bij het begin van Jezus openbare leven: het verhaal van zijn beproeving in de woestijn. Vanuit dat keerpunt, dat crisismoment, begon Hij zijn verkondiging. Dit derde deel verschijnt in de paastijd, een heel ander moment van crisis. Daarom kiezen we deze keer het verhaal van de Emmaüsgangers als aanknopingspunt voor ons nadenken over herbronning. We doen dat overigens niet alleen omdat we de paastijd ingaan, maar in het bijzonder omdat in dit verhaal een schoolvoorbeeld van herbronning aan de orde is.

Een onbekende opent hen de schriften

Ontgoocheld en ten diepste geschokt zijn twee leerlingen onderweg naar het dorpje Emmaüs. Dat waarop zij al hun hoop hadden gesteld, is hun uit handen geslagen. Een onbekende voegt zich bij hen:

“Hij sprak tot hen: ‘Waarover lopen jullie zo druk met elkaar te praten?’ Met sombere gezichten bleven ze staan. Een van hen, die Kleopas heette, gaf Hem ten antwoord: ‘Bent U dan de enige inwoner van Jeruzalem die niet weet wat daar de afgelopen dagen is gebeurd?’ ‘Wat dan?’ vroeg Hij. Ze zeiden Hem: ‘Wat er gebeurd is met Jezus van Nazaret. Hij was een profeet, machtig in woord en daad in de ogen van God en van heel het volk. Onze hogepriesters en leiders hebben Hem overgeleverd om Hem ter dood te laten veroordelen, en ze hebben Hem zelfs gekruisigd. En wij hadden zo gehoopt dat Hij het was die Israël zou verlossen, maar inmiddels is het al de derde dag sinds dat gebeurd is.” (Lucas 24,17-21)

Zij hadden zich een heel bepaalde voorstelling gevormd van de rol die Jezus zou spelen. “wij hadden zo gehoopt dat Hij het was die Israël zou verlossen”. Dit zelfgeschapen beeld van Hem maakte hen ziende blind:

‘Terwijl ze met elkaar in discussie waren, voegde Jezus zelf zich bij hen en liep met hen mee. Maar hun ogen waren niet bij machte Hem te herkennen.’ (Lucas 24,15-16)

De terechtstelling van Jezus van Nazareth was onverenigbaar met hun messiasverwachting en zij raakten daardoor totaal gedesoriënteerd. Het beeld dat zij zich voor ogen gesteld hadden viel in scherven. Achteraf kunnen wij misschien zeggen ‘scherven brengen geluk’, maar op dat moment was er voor deze leerlingen enkel teleurstelling en crisis.

Herbronning: een nieuw verstaan van onze traditie(s) en van onze werkelijkheid.

Zoals we vorige keer al schreven, zijn dat bij uitstek momenten waarop herbronning plaatsvindt en moet plaatsvinden. Dat zien we ook hier gebeuren. De beide leerlingen vertellen deze vreemdeling hun verhaal, waarna deze hen helpt om het gebeurde rond Jezus van Nazareth opnieuw te duiden.
“Toen zei Hij tot hen: ‘Wat zijn jullie toch onverstandig en traag van begrip als het gaat om het geloof in alles wat de profeten hebben gezegd! Moest de Messias niet zo lijden en dan zijn heerlijkheid binnengaan?’ En Hij legde hun uit wat in heel de Schrift op Hemzelf betrekking had, te beginnen bij Mozes en alle Profeten’.” (Lucas 24,25-26)

Het staat er kort en bondig, in enkele zinnetjes samengevat, maar als we bedenken dat Hij al wandelend ‘even’ de Schrift met hen doornam, dan moeten ze een behoorlijke tijd samen opgelopen zijn. Inhoudelijk gaat de onbekende vreemdeling met hen een weg van herbronning. Hij slaat een brug tussen hun beleving van het hier en nu en de bronteksten van hun geloof, ‘te beginnen bij Mozes en alle Profeten’. Dit leidt tot een tweevoudige perspectief­wisseling.

Enerzijds wordt het beeld van wat die verwachte Messias zou moeten zijn, vanuit de bronnen bijgesteld. Hun verstaan van de schriftelijke tradities van Israël wordt opnieuw geijkt aan de werkelijkheid van het hier en nu.

Anderzijds worden zij geholpen hun eigen beleving in een nieuw daglicht te stellen. Het nieuw geboden zicht op Messiaanse elementen en lagen in hun heilige geschriften, maakt het mogelijk om dat wat er gebeurd was beter te gaan begrijpen en daar richting en verlichting aan te geven.

Herbronning betekent dus zowel een vernieuwing van het verstaan van onze traditie(s) als van het verstaan van onze werkelijkheid.

Van 'snappen' naar 'zien'

Toch houdt dat nog niet automatisch in dat met dat nieuwe zicht ook daadwerkelijk ons zien vernieuwd wordt. We kunnen blijven steken op een eerste niveau van ‘wel snappen’, maar nog niet van binnenuit vernieuwd worden: een eerste meditatief geraakt zijn door deze ontdekking, maar nog niet omgevormd. Dat is goed te zien aan de reactie van deze twee leerlingen. Het duurde nog even voor hen de ogen open gingen. Daarvóór moest eerst nog iets fundamenteels gebeuren.

In Emmaüs aangekomen lijken hun wegen zich weer te gaan scheiden, maar dan treedt er een wending op:

“Toen ze bij het dorp kwamen waar ze moesten zijn, deed Hij alsof Hij verder wilde gaan. Maar met aandrang vroegen ze: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt al ten einde.’ Toen ging Hij mee naar binnen om bij hen te blijven. Eenmaal met hen aan tafel nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun. Nu gingen hun de ogen open en ze herkenden Hem, maar meteen was Hij uit hun gezicht verdwenen.” (Lucas 24,28-31)

Zij vragen deze vreemdeling met aandrang: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond…’ Natuurlijk, denken we dan, zo’n onverwachte reisgezel laat je niet bij nacht en ontij op straat staan, zeker niet wanneer hij je net uit de put gepraat heeft.

Hier is echter meer aan de hand. Deze leerlingen spreken een fundamenteel gebed uit: ‘Blijf bij ons!’ En daar ging Hij op in: ‘Toen ging Hij mee naar binnen om bij hen te blijven.’ Hij ging met hen ‘de weg naar binnen’. Niet met omhaal van woorden, maar door in het breken en delen het ultieme teken van zijn levende aanwezigheid te stellen. Dat was de taal die zij ten diepste konden verstaan, die hen de ogen opende en hen in staat stelde Hem te herkennen als de Verrezene. Hij die mee naar binnen is gegaan om bij hen te blijven.

Uiteraard was Hij dus ook meteen uit hun zicht verdwenen, want dit nieuwe zien van Hem als de verrezen gekruisigde, als de Christus, markeert ook het einde van het oude ‘zien’: de definitieve breuk met het eerdere beeld dat zij zich van hem hadden geschapen, waarin Hij enkel een vreemdeling kon blijven.

Gebeurt met ons niet hetzelfde als met deze leerlingen? Wij hebben ons vanaf de jaren zestig een beeld gevormd van hoe de vernieuwing van onze kerk en van ons religieus leven eruit zou (moeten) zien. Het werken daaraan vanuit de ons zo dierbare traditie is voortvarend ter hand genomen en vaak hebben we daarbij ook de ervaring gehad die Lucas zo treffend verwoordt: Ze zeiden tegen elkaar: ‘Was het niet hartverwarmend zoals Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons opende?’ Het was goed, hartverwarmend, die weg te gaan. Velen hervonden hun oriëntatie.

Dat proces hield ook een herontdekking in van het religieuze leven als evangelisch leven. Niet dat dat verband ooit ontkend is, maar toch was er in de praktijk vaak een vervreemding opgetreden door een gebrek aan direct eigen contact met de Schrift. Regels en regeltjes waren voor de alledaagse situatie geleidelijk belangrijker geworden dan de beleving van het evangelie.

Herbronning van religieus leven, evenwicht tussen twee polen

Het religieuze leven wil een welbewuste en intensieve vorm van navolging van Christus zijn. Maar dat kan op veel verschillende manieren die ieder hun eigen bestaansrecht hebben, of het nu Franciscaans is of Vincentiaans, contemplatief of actief. Het eigen charisma van een religieus instituut is de concrete manier waarop daarbinnen het leerling-van-Jezus-zijn wordt vormgegeven.[1] Geschriften van een stichter, regelteksten en andere oudere of jongere documenten en tradities, spelen daar een grote rol in. De eigenheid van elke congregatie of stroming krijgt gestalte door haar specifieke weg van navolging.

Maar in alle verscheidenheid die daardoor ontstaat, blijft de oriëntatie op de Schrift, op het Evangelie als centrale waarde, de garantie dat het gaat om christelijke spiritualiteit.

We belijden Jezus Christus als de Levende, als levend onder ons waar wij leven in Zijn geest. Want het woord van de Schrift vormt op een heel speciale en concrete manier Zijn ‘aanwezigheid-onder-ons’.[2] De evangeliën en andere nieuwtestamentische geschriften zijn dat als woord van en over Hem, de oudtestamentische geschriften als dat van waaruit Hij geleefd en verkondigd heeft. Het geheel van de Schrift als het ongedeelde en ondeelbare Woord van God, dat ons vertrouwd maakt met de intieme omgang van God met de mens.

Herbronningsprocessen dienen het evenwicht tussen die twee polen te bewaren. Zowel het specifieke van een bepaalde gemeenschap, als het evangelisch karakter, dat allen eigen is. Piet Leenhouwers OFMCap legt daar bijvoorbeeld steevast de nadruk op:

‘Zelf zien we dat steeds meer worden tot de eigenlijke kern van ons leven. De kern die wijzelf ook steeds meer benadrukken, steeds weer zien als het wezenlijke: evangelie, evangelisch leven, navolging van Jezus, in een geaccentueerde vorm, uitgedrukt, verwoord en gestalte gekregen in het aanvaarden van een leven volgens drie geloften, drie evangelische raden voor het leven. En dat niet op je eentje, maar juist als groep, als gemeenschap. Zo zien we onze eigen toekomst, in die geest.’[3]

Herbronning impliceert dat wij Hem vragen mee naar binnen te gaan om bij ons te blijven. Alleen dan kan Hij ons de ogen openen en ons zicht geven op een nieuwe toekomst, waarin Hij als de Verrezene het levende middelpunt is.

  1. Zie hierover: Kees Waaijman, Scholen van spiritualiteit. Spiritualiteit op meso-niveau, Titus Brandsma Instituut, Nijmegen 1991, p. 21-23.
  2. Josef Sudbrack, Meditatie in teorie en praktijk, Gottmer, Nijmegen 1973, p. 8. Vertaling van: Meditation: Theorie und Praxis, Echter Verlag, Würzburg 1971.
  3. Piet Leenhouwers OFMCap, Toekomst van het religieuze leven, toespraak d.d. 19-1-2001, gehouden tijdens een studiedag van de VHOB voor oversten, in: Vinculum. Contactblad van de Vlaamse mannelijke religieuzen, 32(2001)nr. 3.