Roeping op een keerpunt

From SPIRIN
Jump to: navigation, search
Project Religieus Leven
Ontwikkelingen binnen het roepingenwerk van de Nederlandse Religieuzen
Jakob en de Engel.origineel.jpg

Roeping op een keerpunt

Pierre Humblet




Roeping op een keerpunt


Pierre Humblet    2009Published


Inleiding over de toename van het aantal personen die zich melden met een roepingsvraag, gehouden voor het platform rond toekomst van religieus leven op 2 april 2009 en op de algemene ledenvergadering van de KNR op 4 juni 2009. Verkorte tekst in het Frans van een verwante inleiding hierover d.d. 8 mei 2009: Les vocations à un tournant.

Achtergronden

De laatste jaren heeft zich geleidelijk een ontwikkeling voltrokken, die sterk doorwerkt in mijn tijdbesteding als secretaris van de Commissie Roepen tot Religieus Leven. Steeds meer mensen die een roeping tot religieus leven hebben of die denken te hebben, weten de KNR te vinden als een plek voor informatie en oriëntatie. Inmiddels vraagt de beantwoording van vragen, gespreksvoering en doorverwijzing naar schatting een kwart tot een derde van mijn werktijd. In de eerste jaren van mijn aanstelling – tien jaar geleden – ontbrak dit verschijnsel nagenoeg helemaal.

In 2008 had ik met 40 verschillende personen contact rond hun persoonlijke roeping. Soms was dat kort en eenmalig. Met de meesten was er vaker contact. Dat kon dan bestaan uit meerdere gesprekken, maar ook of daarnaast uit uitgebreid e-mail-verkeer rond dit zoeken naar religieus leven. Vaak kreeg dit e-mail-contact het karakter van begeleidingscorrespondentie.

Op dit moment is niet duidelijk of deze toename enkel een gevolg is van een grotere vindbaarheid van de KNR, of dat er ook daadwerkelijk sprake is van een kentering in de belangstelling voor religieus leven. Ik vermoed dat het een combinatie is van beide factoren, maar welke van die twee de overhand heeft zal zich in de toekomst moeten uitwijzen.

Grotere vindbaarheid van de KNR

Dat de KNR beter vindbaar is, is vooral een gevolg van zaken als:

  • onze aanwezigheid op internet (die was er tien jaar geleden nog niet),
  • onze presentie op manifestaties zoals de Katholieke Jongerendag,
  • mond-tot-mond reclame,
  • doorverwijzing door religieuze instituten,
  • evenementen zoals de open kloosterdag en
  • de folders die in het kader van het IRO (Interdiocesaan Roepingen Overleg) gemaakt worden en verspreiding vinden over alle parochies.

Een kentering in de belangstelling voor religieus leven

Wat betreft het toenemen van de belangstelling, speelt waarschijnlijk de groeiende maatschappelijke openheid t.a.v. het religieuze een rol. De jongste generaties hebben – minder dan de al wat ouderen – de behoefte om zich af te zetten tegen een belast verleden. Religiositeit is daardoor minder omgeven door een taboesfeer. Gedurende het laatste jaar viel ook een verschuiving op naar een gemiddeld jongere leeftijd. Dus meer kandidaten tussen 20 en 35 jaar.
Tegelijk meldt zich een behoorlijk groot aantal mensen die dat eigenlijk al lang geleden hadden willen doen, maar zich daar indertijd van heeft laten weerhouden. Vaak is dan de leeftijd inmiddels een probleem.

Het is goed te beseffen dat wij ondanks dit groeiende aantal slechts het spreekwoordelijke “topje van de ijsberg” ontmoeten en kunnen doorverwijzen. Veel ‘zoekenden’ vinden gelukkig zonder onze bemiddeling hun weg naar bepaalde religieuze instituten. Dat geldt echter veel minder voor personen die zoeken in de richting van het actieve religieuze leven.

Helaas ontvangen we vaak ook signalen dat mensen met een authentieke roeping geen geschikte plek weten te vinden of in een verkeerde richting gestuurd worden en dan afhaken.

Een overzicht

In 2008 waren van deze 40 personen 13 man (= 32 %) en 27 vrouw (= 68 %). Een verhouding dus van eenderde - tweederde.

Ingedeeld naar leeftijdscategorie krijgen we het volgende beeld:

18-25 jaar – 9 personen
26-35 jaar – 15 personen
36-45 jaar – 6 personen
46-55 jaar – 6 personen
56-65 jaar – 1 persoon

De primaire vraag waarmee men ons benaderde, betrof:

Klassiek religieus leven (verlangen naar religieus gemeenschapsleven) – 29 personen (73 %)
Roeping algemeen (besef van roeping, maar nog niet in een bepaalde richting wijzend – 9 personen (23 %)
Priester / diaken – 3 personen

Verwijzingen / vervolgstappen van deze personen:

16 naar Religieuze Instituten,
7 naar lekenbewegingen / -gemeenschappen,
2 naar een seminarie,
10 niet verwijsbaar (4) of nog niet zo ver (6),
15 (ook/enkel) doorverwezen voor begeleiding.

Noodzaak van een passend antwoord

Wat de achtergronden en oorzaken ook zijn, de hierdoor op ons afkomende vragen zijn een feit waar we moeilijk omheen kunnen en dat naar onze mening ook dringend een nieuw, maar vooral een nieuw soort antwoord behoeft. Enkele argumenten daarvoor wil ik hier graag noemen.

  • Te vaak bereiken ons signalen dat serieuze kandidaten moeilijk een bij hen passende plek weten te vinden. Dat heeft een aantal oorzaken. (Sommige zoekenden zijn om persoonlijke redenen niet of moeilijk in een religieuze gemeenschap op te nemen. Die laten we hier even buiten beschouwing.)
  • Er zijn nog maar weinig gemeenschappen die naar buiten toe aangeven dat ze nog nieuwe leden aannemen (in Nederland).
Weliswaar gaven bij onze peiling in oktober 2008 nog 89 aan de KNR verbonden religieuze instituten aan dat ze nog nieuwe leden willen aannemen,[1] maar naar eventuele kandidaten toe toont men vaak veel meer terughoudendheid. Misschien is dat ook wel wijs.
  • Nog minder daarvan zijn ook werkelijk in staat hen een goede ingroeiplek te bieden. Van die 89 religieuze instituten die zeggen nog wel kandidaten aan te nemen, hebben de meeste al 30 à 40 jaar geen intredes meer gehad. Wie kan op hoge leeftijd nog een beginnend religieus leven begeleiden dat past in een nieuwe tijd? Een eigen vormingstraject is vaak ook een te zware belasting, zeker wanneer dat voor een of twee kandidaten verzorgd moet worden.
  • Er zijn bovendien maar weinig mensen die op dit vlak overzicht hebben en goed kunnen adviseren. Het komt daardoor vaak voor dat men alleen te horen krijgt “probeer het ergens anders”, zonder dat er daarbij een handreiking gegeven wordt. Men wordt van het kastje naar de muur gestuurd. Geleidelijk krijgt de KNR meer de functie van doorverwijsplek, maar die mogelijkheid is nog lang niet algemeen bekend.
    Uiteindelijk raken zoekenden daardoor vaak op een dood spoor, of ze vertrekken naar het buitenland.
  • In de voorbije decennia kwam nieuwe aanwas naar verhouding het meest terecht bij de monniken en monialen en bij een beperkt aantal oude orden (bijvoorbeeld Jezuïeten, Karmel en Franciscanen). Meer recent is er een sterkere belangstelling waarneembaar voor de actieve religieuzen. [In 2007 deden in Nederland 17 mensen hun eerste geloften, waarvan 7 buiten de kringen van monniken, monialen en oude orden.] Juist de actieve religieuzen zijn daar vaak niet meer op berekend, wat ons voor problemen stelt bij de doorverwijzing.
  • De spiritualiteit, de cultuur en de manier van in de kerk staan van jonge mensen die zich nu melden, verschilt vaak sterk van die van de doorsnee religieuze gemeenschappen waarmee wij vertrouwd zijn. Ik meen bij velen een sterker religieus zelfbewustzijn te zien dan vorige generaties tonen. Ook vormt vaak een intense godsontmoeting of bekeringservaring het startpunt.
  • Hier tegenover staat een overwegend gebrekkige of afwezige kennis van de kerkelijke tradities, die het moeilijk maakt de persoonlijke ervaringen in perspectief te zien en te duiden. Hoe kun je dat wat je persoonlijk ervaart als “roeping” interpreteren, wanneer je daarvoor de verstaanshorizon mist?

Implicaties voor de taakinvulling van de Commissie Roepen en haar secretaris

De taakomschrijving van de Commissie Roepen dateert van vóór de hier gesignaleerde trend. Daardoor is over een door haar op dit gebied te spelen rol nooit nagedacht. De kernzin van die taakomschrijving luidt als volgt:

“Het aandachtsveld van deze commissie is
  • de actieve bezinning op en
  • de ondersteuning van het roepingenwerk
  • binnen de kaders van de huidige verschijningsvormen van religieus leven en
  • de nieuwe vormen die van daaruit worden opgezet en beleefd.”

Hier is weliswaar sprake van ‘de actieve bezinning op en de ondersteuning van het roepingenwerk’, maar niet van het actief beoefenen daarvan. Traditioneel was dat een zaak van de religieuze instituten zelf. De buitenwereld wist niet eens dat er een koepelorganisatie als de KNR bestond en benaderde die ook niet met vragen op dit vlak. Het feit dat veel religieuze instituten op deze vragen niet meer zelfstandig een antwoord gestalte kunnen geven voegt hier een belangrijke dimensie aan toe. Wiens taak is dat nu dan wel?

Ook is hier in het kader van de taakomschrijving van mij als secretaris aanvankelijk niet over nagedacht. Geleidelijk is er door de toenemende vraag een praktijk ontstaan, maar de groei daarvan en de werkdruk die dat met zich meebrengt, maakt bezinning op beleid ten aanzien van deze kwestie hard nodig.

Dit alles overziend is de gedachte ontwikkeld om in de eerste plaats meer focus aan te brengen binnen de activiteiten van de commissie en de secretaris. Doel is daardoor meer tijdruimte vrij te maken voor deze taken, er meer samenhang in aan te brengen en die ook zichtbaar te maken.

Dit houdt bijvoorbeeld in dat de activiteiten en thematieken van het Platform rond Toekomst van Religieus leven nadrukkelijker gericht zullen worden op het kerndoel – roeping – en op het actief toewerken naar gezamenlijke antwoorden op de hier geschetste problematiek.

Dit platform is in het leven geroepen om een broedplaats voor het roepingenwerk en de aandacht voor toekomst van religieus leven te zijn. Dit zowel gericht op de klassieke vormen van religieus leven, als op nieuwe initiatieven, andere vormen van verbondenheid en gemeenschappen. Het zou vooral een continuüm moeten worden en niet een reeks losse vergadermomenten rond wisselende thema’s. Het accent zou moeten liggen op het proces waar commissie en deelnemers samen aan gaan staan. Het eerste is wel uit de verf gekomen, maar dat laatste – dat proces waar we aan zouden aan staan – ontplooit zich nog onvoldoende. In de komende tijd willen we ons daarom meer op de kern van onze taak gaan richten.

Op een vergelijkbare manier zal worden omgegaan met de aandacht die besteed wordt aan herbronning, publiciteit en presentie: we zullen ernaar streven ook de activiteiten die daarmee samenhangen meer dienstbaar te maken aan ons kerndoel ‘roepingenwerk’.

Zoeken naar concrete antwoorden

De commissie denkt verder na over plannen om toe te werken naar een gezamenlijk aanbod van een (gedeeltelijk) ingroeitraject voor die religieuze instituten die dat niet meer zelfstandig kunnen verzorgen. Kunnen we hier iets nieuws aanbieden in nauwe samenwerking met religieuze instituten die daar nadrukkelijk voor kiezen of toe worden uitgenodigd? Kan dit worden ondersteund door onder meer bestaande centra voor spiritualiteit, de School voor Spiritualiteit of nog fungerende noviciaten?

Hoe dit gestalte zou kunnen krijgen is iets dat de komende tijd uitgewerkt moet worden. In een eerste gedachtevorming tijdens de eilanddag van de Commissie Roepen op 16 december hebben we gesproken van een “Huis van de Roeping”, maar ook is het beeld van een “zwervend pre-noviciaat” gebruikt. De voorzitter van de KNR, Tjeu Timmermans, sprak op een vergelijkbare manier over “een overkoepelend vormingsinstituut voor mensen die geïnteresseerd zijn in het religieuze leven”.[2]

Voor ons als commissie staat voorop dat er behoefte is aan herkenbare plekken, ‘geestelijke laboratoria’ (Karl Maderner[3])

  • waar zoekenden in gesprek kunnen gaan rond wat hen beweegt,
  • waar zij hun vaak nog verborgen vragen kunnen toelaten en ontdekken,
  • waar gelegenheid is tot oriëntatie en primaire vorming,
  • waar ze deuren vinden waarop aangeklopt kan worden en
  • waar wij zelf kunnen leren hoe onze oren gescherpt kunnen worden voor de authentieke stem van de Roepende in hun vragen.

Pierre Humblet 02-04-2009 en 04-06-2009

  1. Deze 89 gemeenschappen die aangeven nog nieuwe leden te willen aannemen, zijn als volgt verdeeld:
    Uit de kring van de actieve vrouwelijke religieuzen 31,
    Van de priesterreligieuzen 32,
    Van de broedercongregaties 7,
    Van de monialen 19.
  2. Web-nieuwsbericht Pleidooi voor religieus vormingsinstituut voor zoekenden n.a.v. nieuwjaarstoespraak van KNR-voorzitter Tjeu Timmermans, Katholiek Nederland, 18 januari 2009.
  3. P. Karl Maderner schrijft hierover: "Er zijn zoekenden die Jezus Christus tot centrum van hun leven willen maken. Ze willen geestelijk leven! Maar waar zijn in onze kerk die ‘geestelijke laboratoria’ te vinden, waar jonge en jong gebleven mensen samen het geloof vorm kunnen geven op een manier die bij hen past, zonder meteen in een orde of congregatie in te treden? Jongeren hebben mensen nodig wier evangelische levensstijl echt is en die hen kunnen binnen voeren in de fundamentele geestelijke waarden. Bij hen kunnen zij hun vaak nog verborgen vragen toelaten en ontdekken." Vertaald uit: P. Karl Maderner, Suchende – heimatlos in der Kirche? In: Das Gespräch 2002-4 en 2003-1. Voorloper van het blad Echo der Stille