Roeping in de Peiling

From SPIRIN
Jump to: navigation, search
Project Religieus Leven
Project Religieus Leven/Ontwikkelingen binnen het roepingenwerk
Jakob en de Engel.origineel.jpg

Roeping in de Peiling

Pierre Humblet




Roeping in de Peiling


Pierre Humblet    2007article


Roeping in de peiling

In 2006 werd door de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR)[1] bij de peiling van het ledental per religieus instituut, voor het eerst ook gevraagd naar nieuwe intredingen. Daarbij werd specifiek geïnformeerd naar leden die in 2004 en 2005 hun eerste geloften hadden gedaan en daardoor lid waren geworden in canonieke zin. Aanleiding was de behoefte bij de Commissie Roepen om nauwkeuriger gegevens te verzamelen over de aantallen roepingen tot het klassieke religieuze leven.

In de jaren 2000 en 2005 waren er twee eerdere peilingen geweest, gehouden door de Commissie Roepen zelf, maar met een iets andere vraagstelling. In het jaar 2000 werd namelijk gevraagd: "Hebt u de laatste tien jaar nieuwe intredingen gehad? (D.w.z. minimaal aan het noviciaat begonnen.)" Dit betrof dus de jaren 1990 t/m 1999. Daarna werd doorgevraagd naar de aantallen: "Zo ja, hoeveel?" en: "Hoeveel zijn gebleven?" [2]

In 2005 was de vraagstelling identiek, maar werd geïnformeerd naar de aantallen van de afgelopen periode van vijf jaar [2000 – 2004].[3]

Deze twee eerste peilingen hadden als manco dat ze over een te lange periode terugblikten en dat het aan een voldoende scherpe afbakening ontbrak. Vergelijkingen met de cijfers van het KASKI maken dat ook duidelijk.[4] In 2006 werd daarom een nieuwe opzet gekozen, met als ijkpunt het moment van afleggen van de eerste geloften.

Door het verschil in vraagstelling zijn de cijfers van deze peilingen niet goed vergelijkbaar. We mogen er weliswaar van uitgaan dat er een grote overlapping is tussen nieuwkomers waarvan – zoals in de eerste twee peilingen – werd aangegeven dat ze bleven, en degenen die in dezelfde periode of kort daarna hun eerste geloften deden. Maar het uitgangspunt is heel anders en daarom moeten deze gegevens met grote voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Met deze waarschuwing in het achterhoofd wil ik hier toch een poging doen om enkele perspectieven te schetsen.

In het jaar 2000 werd geconstateerd dat de religieuze instituten die geantwoord hadden (96 %), in de voorafgaande periode van 10 jaar in totaal 233 nieuwe aanmeldingen hadden gehad. Daarvan waren er uiteindelijk 151 gebleven.[5] Dat betekent dus gemiddeld ongeveer 15 gebleven nieuwe leden per jaar voor alle gemeenschappen samen.

Bij de peiling van 2005 was de respons minder goed. We kregen een antwoord van 155 van de 185 aan de KNR verbonden instituten (84 %). We passen daarom op deze cijfers een correctie toe van 16 %. [6] In totaal werden 77 intredingen gemeld, van wie er (tot de peildatum) 48 gebleven waren.

In de onderstaande tabel zijn de resultaten van al deze peilingen naast elkaar geplaatst.

Peiling 2000 m.b.t.
periode 1990 - 1999
Peiling 2005 m.b.t.
periode 2000 - 2004
Peilingbrief 2006
m.b.t. jaar 2004
Peilingbrief 2006
m.b.t. jaar 2005
15 (gemiddeld per jaar) 11 (gemiddeld per jaar) 17 16

Omdat deze cijfers niet goed vergelijkbaar zijn, kunnen we op basis daarvan natuurlijk moeilijk een trend aanwijzen. In eerste instantie zouden we zelfs kunnen denken dat er over deze 16 jaren geen significante daling van het aantal intredingen is aan te wijzen. Leggen we de cijfers van het KASKI ernaast, dan ontstaat echter een heel ander beeld.

Intredingen volgens KASKI
1990 - 1994
Intredingen volgens KASKI 1995 - 1999 Intredingen volgens KASKI
2000 - 2006
32 (gemiddeld per jaar) 25 (gemiddeld per jaar) 16 (gemiddeld per jaar)

De criteria en de interpretatie daarvan verschillen bij de diverse peilingen, maar duidelijk is in ieder geval dat het totale aantal intredingen in deze periode daalde tot bijna de helft.

Komen en gaan

Een zaak die opvalt in de tellingen over 2000 t/m 2004, maar ook bij de KASKI-peilingen, is de grote fluctuatie in het aantal nieuwe intredingen. Van het ene op het andere jaar kon dat al snel ongeveer de helft schelen.[7] Nog sterker tekent dat zich af wanneer gekeken wordt naar degenen waarvan wordt aangegeven dat ze na intreding gebleven waren. Over de periode 1990-1999 was het aantal ’blijvers’ ongeveer tweederde. Dus een derde van degenen die aan hun noviciaat begonnen waren, was weer vertrokken op het moment van de peiling.[8] Dat geldt ook voor de jaren 2000 en 2003. De cijfers over 2001 en 2002 laten echter zien dat toen de helft van het aantal kandidaten weer vertrok. Van de 32 personen die in totaal in deze twee jaren een leven als religieus begonnen, waren er in 2005 nog 16 over. Ook zijn er grote verschillen per religieus instituut. Bij bepaalde gemeenschappen blijkt bijvoorbeeld dat in de jaren 2000 t/m 2004 ongeveer 60 tot 80 % van de kandidaten die een noviciaat begon, uiteindelijk ook bleef, terwijl elders soms 60 tot 80 % weer vertrok.[9]

Het is daarom goed ons de vraag te stellen welke factoren een rol spelen in het blijven of vertrekken van nieuw ingetredenen. Kan bijvoorbeeld een (nog) scherpere selectie en een (nog) betere begeleiding helpen? [10]

Jong en oud

Een belangrijke factor is zeker het vinden van aansluiting tussen oudere en jongere generaties, tussen de bestaande gemeenschappen en eventuele nieuwkomers.

Twee perspectieven staan daarin centraal, namelijk dat van de gemeenschap en dat van de ’zoekenden’.

Voor het perspectief van de gemeenschap is bepalend of ze het vermogen heeft tot werkelijke plooibaarheid in het delen en laten delen in haar leven. Is wederzijdse aanpassing mogelijk? Dat vraagt van een gemeenschap een sterk bewustzijn van eigen krachten en beperktheden, een gezond besef van eigen(-)waarde.

Met het oog op de mogelijkheden tot het vinden van aansluiting bij ’zoekenden’, is het anderzijds van belang de vraag te stellen: "Wat drijft hen?" "Wie zijn zij?" Zij hoeven immers niet ’naar ons beeld en gelijkenis’ herschapen te worden, maar zijn geroepen hun eigen bestemming te vinden.

"Wie zijn zij?"

Om deze vraag te beantwoorden zou ik een globale indeling willen hanteren in drie verschillende ’hoofdgroepen’: [11]

  • Jongeren (18 – 25);
  • Een middengroep van rond de 30 jaar;
  • Een ’mid-life’(-crisis) groep van rond de 50 en ouder.

Deze hoofdgroepen vertegenwoordigen verschillende uitgangsposities.

  • De oudste groep heeft bijvoorbeeld meestal nog de situatie gekend van voor Vaticanum II en heeft de daarop volgende kerkelijke cultuuromslag zelf meegemaakt. Men is vaak nog opgegroeid in een tijd dat kerk en religie nog enigszins vanzelfsprekend was en is via catechese wegwijs gemaakt in het kerkelijk leven.
  • De middengroep mist veelal die vanzelfsprekende kerkelijke inbedding en heeft vaak meegemaakt hoe de omgeving zich daar in toenemende mate van distantieerde. Het ontbreekt meestal aan een van huis uit meegekregen identificatie. Naar mate men jonger is, is er ook in toenemende mate een afwezigheid van kennis t.a.v. geloof en kerkelijk leven.
  • De jongeren tot slot. Wat geldt voor de middengroep, geldt nog veel sterker voor hen. Dat heeft zowel positieve als negatieve effecten. Zij hebben wel weet van het feit dat oudere generaties zich vaak meer en meer van kerk en geloof distantieerden, maar kunnen die beweging niet meer op grond van eigen ervaringen meemaken. Zowel de nodige basiskennis als de gevoeligheden die bij eerdere generaties leven en leefden, zijn afwezig.
    Daardoor is als vanzelf een nieuwe onbevangenheid ontstaan, die zowel positief, neutraal en negatief kan uitpakken. Er zijn grote verschillen binnen deze groep:

1. Sommigen vertonen geen waarneembare affiniteit met iets dat wij religiositeit noemen.

2. Daarnaast zijn er jongeren met een openheid voor spiritualiteit, maar die niet echt zoekend zijn,

3. er is een categorie jongeren die ongericht zoeken / snuffelen,

4. er is een beperkte groep kerkelijk betrokken jongeren (en daarnaast natuurlijk anderen die ’het’ elders gevonden hebben) en

5. tot slot zijn er jongeren met een sterke hang naar het religieuze, voor wie dit uitgroeit tot een soort levensbedding.

Elk van deze groepen en subgroepen stelt haar eigen vragen. De oudste twee hoofdgroepen weten ons over het algemeen nog redelijk goed te bereiken. Nieuwe intredingen komen ook hoofdzakelijk uit die kringen. Omdat de grootste uitdaging juist bij de groepen van de allerjongsten ligt, ga ik hier alleen daar nog wat dieper op in.

Jongeren en hun al dan niet bezig zijn met spiritualiteit of kerk: wat drijft hen?

Uiteraard verschilt dit sterk. De eerste categorie, die geen affiniteit hiermee vertoont, laten we hier buiten beschouwing. Vervolgens is het zinvol een onderscheid te maken tussen enerzijds de tweede en derde categorie en de anderzijds de laatste twee. Eerst de tweede en derde:

2. Jongeren met een openheid voor spiritualiteit, maar niet direct zoekend.

3. Jongeren die ongericht zoeken / snuffelen.

Bij deze twee kringen valt vooral de grote onbevangenheid t.a.v. het religieuze op. Ze zien zich niet zoals vorige generaties belast door een verleden dat moest worden afgeschud, opgegroeid als men is in een situatie van nagenoeg voltooide secularisatie. Er is wel een zekere huiver voor pogingen tot ’inkapselen’ vanuit kerkelijke hoek. Dat leidt tot een soort interesse met distantie.

Wat hen vaak beweegt is een behoefte aan zingeving in een door materialisme gedreven samenleving. Kenmerkend is een grote behoefte aan en gevoel voor waarachtigheid. Verlangen naar geborgenheid speelt ook zeker een rol.

Naast deze eerste categorieën manifesteren zich twee andere kringen:

4. Kerkelijk betrokken jongeren (en anderen die ’het’ elders gevonden hebben).

5. Jongeren met een sterke hang naar het religieuze, voor wie dit op de een of andere manier uitgroeit tot een soort levensbedding.

In wezen verschillen de jongeren die zijn te rekenen tot deze laatste twee categorieën niet echt van de eerste twee groepen. Ze bewegen zich allen op hun eigen manier binnen dezelfde veelvor­mi­ge jongerencultuur. Ook delen ze over het algemeen eenzelfde relatieve onbevangenheid t.o.v. dat waarmee eerdere generaties behept waren / zijn. Het grootste verschil is misschien wel dat ze in de stroom (durven te) gaan staan, waar anderen veilig op de oever blijven (of heel andere oevers verkennen).

Correspondentie en door jongeren gebruikte afbeeldingen toont hoe die onbevangenheid er ook toe leidt dat vaak wordt (terug) gegrepen naar vormen en inhouden waarvan oudere generaties soms met vreugde afstand hebben genomen.

Vooral vragen

Het hier beschrevene roept waarschijnlijk vooral vragen op en zo is het ook bedoeld.

Van ons wordt gevraagd dat we net zo zoekend worden en blijven als diegenen die we – soms wat al te hoopvol misschien – aanduiden als ’zoekenden’. Dat bepaalt namelijk ook de mogelijk­heden tot aansluiting tussen onze gemeenschappen en degenen die zich al zoekend aan onze poorten melden.

  • Laten delen in je religieus leven heeft te maken met het vermogen in een gemeenschap om echt onderling te delen. Kun je ondanks, of misschien wel dankzij, generatieverschillen van elkaar leven ontvangen?
  • Hoe ervaren wij zelf het appel t.a.v. onze identiteit dat uitgaat van zoekenden? Wat mag je daarin van jezelf en elkaar verwachten? Wanneer is een mislukking bijna voorspelbaar?
  • Het is goed ons steeds opnieuw af te vragen of dat wat wij beschouwen als kernelementen van het religieuze leven, nog wel voldoende over komt en of dat nog wel een antwoord kan zijn op het zoeken van anderen. Niet voor niets zagen in ieder tijdperk nieuwe vormen van religieus leven het licht.
  • Omgekeerd is het goed ons te realiseren dat de authenticiteit, creativiteit en vitaliteit van degenen die op ons toekomen, een groot goed is. Het is daarom van belang dat wij hen de ruimte bieden om een eigen weg te gaan, of dat nu binnen of buiten onze bestaande gemeenschappen is.


  1. De Konferentie Nederlandse Religieuzen is de koepelorganisatie van alle religieuze instituten (ordes, congregaties en abdijen) in Nederland. Zie: http://www.knr.nl/.
  2. Pierre Humblet, Rapport Tot roepen geroepen, Konferentie Nederlandse Religieuzen, Den Bosch 2001, zie vragenlijst in de Bijlage.
  3. Omdat de vraagstelling in de eerste twee peilingen achteraf gezien niet helder genoeg was, werd in 2006 overgestapt op een nieuwe benadering, waarbij het canoniek vastgelegde moment van gelofte doen uitgangspunt werd. Ook het KASKI informeert jaarlijks naar het aantal nieuwe intredingen. Daarbij wordt gevraagd naar intredes van nieuwe (niet-gewijde) leden vanuit de lekenstand of intrede van reeds gewijde priesters. De interpretatie daarvan bij de invulling van de vragenlijsten kan echter nogal verschillen.
  4. KASKI, Kerncijfers uit de kerkelijke statistiek van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland, publicaties over de jaren 1990 t/m 2004.
  5. Rapport Tot Roepen Geroepen¸ p. 4.
  6. Voor een correctie van 16 % wordt gekozen omdat dit correspondeert met het percentage religieuze instituten dat niet antwoordde en omdat het redelijk het midden houdt tussen het aandeel dat deze gemeenschappen bij de peiling van 2000 hadden in het totale aantal intredingen (10 %) en het gegeven dat een kwart van de toetredingen in de jaren 2004 en 2005 (peiling 2006) juist bij deze groep zat. Ook is meegewogen dat het KASKI in deze jaren 82 intredingen mat. Over de cijfers van de peiling van 2000 vond geen correctie plaats, omdat toen vrijwel uitsluitend een antwoord ontbrak van gemeenschappen waar geen intredingen (meer) te verwachten waren (bijvoorbeeld kloosterverzorgingshuizen).
  7. De jaren 2000 – 2004 lieten wat dat betreft het volgende beeld zien:
    2000 2001 2002 2003 2004
    Ingetreden 16 12 20 11 16
    Gebleven 10 5 11 7 14
    
    
  8. In vergelijking met de KASKI-cijfers ligt het aantal nieuwe leden uit de periode 1990-1999 dat weer vertrok zelfs in de buurt van de 45 %.
  9. Bij deze opmerking is alleen gekeken naar die religieuze instituten die in deze periode minimaal 4 intredingen hadden en/of 3 ‘blijvers’.
  10. Behalve de Commissie Roepen, stelt ook de Commissie Onderlinge Solidariteit van de KNR zich op dit terrein vragen. Het is immers van belang bij de subsidiëring van projecten rekening te houden met toekomstige levensvatbaarheid. Van tijd tot tijd organiseert de KOS daarom bezinningsbijeenkomsten over het religieuze leven en zijn toekomst, en in het bijzonder het contemplatieve religieuze leven. Een deel van dit artikel werd eerder in dat kader als inleiding gepresenteerd.
  11. Het hier beschrevene is voor een groot deel gebaseerd op eigen ervaringen in contacten met jonge religieuzen, met personen die zich via de KNR melden met vragen rond roeping en contacten met andere jongeren.