Hij heeft mij gezonden...

From SPIRIN
Jump to: navigation, search
Gedachten over Herbronning
Jakob en de Engel.origineel.jpg

Hij heeft mij gezonden...
Gedachten over Herbronning – Deel 04
Pierre Humblet




Hij heeft mij gezonden...
Gedachten over Herbronning – Deel 04

Pierre Humblet    2004Published


Hij heeft mij gezonden… – Gedachten over herbronning (4)

Dit is het vierde deel van een artikelen­reeks over herbronning. De eerste afleveringen verschenen in de KNR-bulletins van decem­ber 2002, februari 2003 en april 2003. Om niet het overzicht te verliezen, vatten we hier eerst even samen wat we tot nu toe besproken hebben.[1]
  • In het eerste deel van deze reeks wezen we op een verandering van perspectief die zich de laatste tijd aan de herbronnings­beweging op­dringt. Wat begon als een vernieuwings­golf, wordt steeds meer een ‘door de dood heen gaan’. We merkten op dat het do­cu­ment Per­fectae Caritatis, als spil voor die vernieuw­ing de voort­du­rende terugkeer naar de bron­nen aanwijst. Dat alles echter niet op een on­kri­tische manier. Het moet gaan om een aan het hier en nu aanpassende vernieuwing en moet zich beperken tot het actualiseren van gezonde tradities.
  • Het tweede deel koos als startpunt het ver­blijf van Jezus in de woestijn. Een crisis­mo­ment, waarbij opviel hoe Hij in zijn omgaan met zijn beproevingen steeds teruggreep naar de grondinspiratie van Israël: “Er staat geschreven: …”. We lieten zien hoe daarbij niet die bron­nen en het verleden zelf centraal staan, maar het vinden van onze weg in het hier en nu. Dat proces vraagt onderscheiding der geesten. Durven we het aan steeds weer onze religieuze fundamenten op te schudden?
  • In het derde deel liepen we mee met de Emmaüsgangers. We maakten zichtbaar dat herbronning zowel een vernieuwing van het verstaan van onze traditie(s), als van het ver­staan van onze werkelijkheid inhoudt. Dat vraagt meer dan een her­ontdekking, name­lijk een van binnenuit vernieuwd worden: omvorming. Kunnen we de Verrezene vragen ‘mee naar binnen te gaan om bij ons te blijven’, het levende middelpunt te worden?

In het vorige deel van deze reeks, kozen we de tekst van de Emmaüsgangers als startpunt, een opstan­dingsverhaal waarin het ‘tot zien komen’ de spil vormt. We hebben beschreven hoe daarin in feite een weg van herbronning gegaan werd. Teksten uit Israëls traditie – “te beginnen bij Mozes en alle Profeten” – kregen een nieuwe, actuele betekenis in het licht van de dood en opstanding van Jezus van Nazareth.

De schrift staat vol van dergelijke verhalen. We kun­nen zelfs stellen dat de bijbel grotendeels tot stand is gekomen vanuit herbronningsprocessen, vanuit de behoefte van Israël en de jonge kerk om telkens opnieuw zin te geven aan hun gelovig bestaan, in steeds weer veranderende tijden en omstandigheden.

Een Mission Statement als weg van herbronning

Speciaal dit jaar beleven ook de Nederlandse religieu­zen een dergelijk moment van verandering. Er is gekozen voor een verdergaande samen­werking binnen één conferentie, de KNR. Deze wens tot samen­gaan is een groot goed, maar het slagen zal afhangen van de daadwerkelijke invulling. Waar leggen we zwaartepunten? Waartoe weten we ons binnen dit nieuwe verband in het bijzonder geroepen?

Een eerste stap in de bezinning daarop is gezet bij het opstellen van het Mission Statement van deze nieuwe conferentie. Er werd een intense weg gegaan van zoeken, verzamelen en ordenen. Elemen­ten uit dierbare teksten en tradities werden bijeen­gebracht[2] en er werd geluisterd naar de diverse geledingen. Dat leidde na negen concepten tot een definitieve tekst: een document waarin de te varen koers herkend werd. Het kon daardoor dienen als een inhoudelijk funda­ment onder de nieuwe organisatie (zie pagina 4).

Dit samen zoeken naar oriëntatie had alle kenmer­ken van een herbronningsproces. We zullen pro­beren dat hier te laten zien, waarbij we een tekst uit het Lucas-evangelie als spiegel zullen gebruiken.

Jezus in de synagoge van Nazareth – een Mission Statement

Wanneer Lucas ons in zijn evangelie het begin van het openbare leven van Jezus vertelt, schetst hij na de beproeving in de woestijn (zie deel 2 van deze artikelenreeks), als eerste diens optreden in de synagoge van Nazareth (Lc 4,14-30). Jezus krijgt de boekrol van de profeet Jesaja aangereikt, hij opent die en leest de volgende woorden voor:

r. 1 

r. 3 

r. 5 

r. 7 

‘De Geest van de Heer rust op mij;
daartoe heeft Hij mij gezalfd.
Om aan armen de goede boodschap te brengen
heeft Hij mij gezonden,
om aan gevangenen hun vrijlating aan te kondigen
en aan blinden het licht in hun ogen,
om verdrukten in vrijheid te laten gaan,
en een jaar af te kondigen dat de Heer welgevallig is.’
(Lucas 4,18-19)

Hier wordt ons een soort Mission Statement van Jezus van Nazareth gepresenteerd. Zijn zending, zijn missie wordt beschreven: “Hij heeft mij gezonden om …”

Ook dit ‘Mission Statement’ is het resultaat van een weg van herbronning. Het leven en de betekenis van Jezus worden ingekleurd vanuit de woorden van Jesaja. Daarmee wordt hij in diens voetsporen geplaatst, maar op een heel eigen manier. Lucas is hier namelijk creatief met de traditie omgegaan. Hij schrijft dat Jezus de boekrol opende en de plaats vond waar de bovenstaande woorden staan (Lucas 4,17). Bij nadere bestudering blijkt echter dat dit citaat daar niet op deze manier te vinden is. Twee verschillende teksten zijn gecombineerd, aangepast en kunstig in elkaar gevlochten, zodat er iets nieuws ontstond dat essentiële elementen verenigt (Jesaja 61,1-2 en 58,6).

De eerste vijf regels weerspiegelen vrij nauwkeurig de tekst zoals die in Jesaja 61,1 te vinden is, maar na de vierde regel ontbreekt er één. Het volgende stukje is weggelaten: “om gebroken harten te verbinden”.

Ook is regel zes op een opvallende manier gewijzigd. Bij Jesaja was de terugkeer uit de ballingschap actueel. Hij had het daarom nogal uitgebreid over gevangenen:

‘… om de gevangenen vrijlating te melden,
en de geketenden de terugkeer naar het licht…’ (Jesaja 61,1)

Lucas had daarentegen het optreden van Jezus voor ogen, bij wie genezingsverhalen een grotere rol speelden. Voor hem was het samengaan van verkondiging en genezing essentieel. Aan de leerlingen van Johannes de Doper wordt dan ook gezegd:

‘Ga Johannes vertellen wat u hebt gezien en gehoord:
blinden zien weer, kreupelen lopen, melaatsen worden rein, doven horen,
doden staan op en aan armen wordt de goede boodschap verkondigd.’ (Lucas 7,22)

Om de woorden van Jesaja beter te laten passen bij dit beeld van de zending van Jezus, verandert hij die zesde regel. “De terugkeer naar het licht” wordt “het licht in hun ogen”; “geketenden” wordt vervangen door “blinden”:

‘… om aan gevangenen hun vrijlating aan te kondigen
en aan blinden het licht in hun ogen, …’ (Lucas 4,18)

Iets heel anders doet zich voor bij regel zeven van dit citaat: “om verdrukten in vrijheid te laten gaan”. Dit fragment is uit Jesaja 58,6 geplukt en in het citaat uit hoofdstuk 61 geplakt.

In onze tijd zouden we zo’n vrije omgang met onze bijbelse bronnen op zijn minst even in een voetnoot vermelden en verantwoorden. Voor Lucas en zijn tijdgenoten was dat niet zo’n probleem. Hem ging het om iets heel anders: zo kernachtig mogelijk Jezus en diens zending schetsen.

Door die roeping te formuleren met behulp van woorden uit Jesaja, wordt deze zending nauw verbon­den met de hoop en de traditie van Israël. De oude verwachtingen van het volk komen daardoor in een nieuw daglicht te staan, een licht dat afstraalt op het hier en nu. Meteen daarna geeft Jezus zelf dat verband scherp en duidelijk aan door middel van één enkel zinnetje, de kortste preek aller tijden:

“Toen begon Hij hen toe te spreken: ‘Vandaag is het schriftwoord dat u gehoord hebt in vervulling gegaan’.” (Lucas 4,21)

De drie hoofdlijnen van elk herbronningsproces worden in dit vers in één adem genoemd:

  • vandaag – ons heden en onze toekomst staan uiteindelijk centraal;
  • schriftwoord – de traditie, onze bronnen zijn daarin een hulpmiddel, een ijkpunt;
  • in vervulling gaan – die beide eerste elementen hebben pas zin doordat ze in ons en onder ons vernieuwing tot stand brengen. Wij zijn geroepen de Schrift, onze traditie tot vervulling te laten komen. Omgekeerd helpen deze teksten ons om zelf tot volheid te komen.

Een schriftwoord komt niet tot vervulling buiten ons om, maar doordat het aan ons gebeurt. Daarom is het kleine tussenzinnetje “dat u gehoord hebt” van belang. Zonder een werkelijk ten diepste ‘horen’, zonder toe-eigening kan geen enkele bron of traditie helpen ons leven richting te geven. Dan kunnen we geen roeping, geen zending ontvangen of erkennen, omdat we gesloten blijven voor “de Geest” die de levenskracht van ons charisma is: “De Geest van de Heer rust op mij” (Lucas 4,18).

We zien iets dergelijks gebeuren in de synagoge van Nazareth. De aanwezigen verheugen zich wel over zijn woorden, maar zij blijven innerlijk gesloten. Zij kunnen in hem uiteindelijk niets anders zien dan ´de zoon van Jozef´:

“Ze betuigden Hem allemaal hun bijval en verbaasden zich over de woorden van genade die uit zijn mond vloeiden
en zeiden: ´Dat is toch de zoon van Jozef?´.”

De onderliggende dynamiek, de kracht van de Geest, gaat aan hen voorbij. Is dat het geval, dan kan een weg van herbronning, of dat wat geformuleerd wordt in een Mission Statement, niet “tot vervulling komen”. Uiteindelijk gaat het erom of de Geest van de Heer rust op ons, of herbronning aan ons persoonlijk en aan onze gemeenschappen gebeurt. Het concilie­document Perfectae Caritatis laat daarover geen misverstand bestaan:

´Omdat het religieuze leven voor alles erop gericht is, dat de leden door de professie van de evangelische raden Christus volgen en met God worden verenigd, moet men ernstig bedenken, dat de beste aanpassingen aan de noden van onze tijd zonder uitwerking blijven, als zij niet bezield worden door een geestelijke vernieuwing.´ [3]

Het Mission Statement van de KNR

In de inleiding op dit artikel schreven we al dat het werken aan het Mission Statement van de KNR begon met het bijeenbrengen van elementen uit dierbare teksten en tradities en dat er werd geluisterd naar de diverse geledingen. In één zin vat dat twee fundamentele stappen samen: het is nodig de bronnen te laten spreken en tegelijk moet gezorgd worden dat de betrokkenen zich gehoord weten. Zij horen immers tot de ‘levende traditie’. Evengoed als indertijd de stichters van hun religieuze instituten en bewegingen, zijn zij nu de dragers van hun religieus charisma. Ook voor hen geldt onverkort:

´De Geest van de Heer rust op mij… ´
´Hij heeft mij gezonden… ´

In dit Mission Statement kon natuurlijk niet het charisma van al die religieuze instituten worden vastgelegd. Als koepelorganisatie moet de KNR ruimte en ondersteuning bieden voor het specifieke en eigene van ieder religieus instituut. Wel zouden we haar doelbewuste openheid voor dat eigene en haar inzet voor onderlinge samenwerking kunnen zien als twee wezenskenmerken van het ‘charisma’ van de KNR zelf. De tekst begint en eindigt dan ook met het benadrukken van die veelkleurigheid en die samenwerking. De eerste regels luiden:

´De Konferentie Nederlandse Religieuzen
verbindt heel het veelkleurig spectrum van instituten,
waarin het religieuze leven in katholiek Nederland gestalte heeft gekregen.´

De slotregels pakken dit weer op:

´Zo geven zij ieder op een eigen manier en plaats gestalte aan hun spiritualiteit.
Zij trachten elkaar daarin te steunen en met elkaar samen te werken

Een Mission Statement moet kort en krachtig zijn. Beelden en kernwoorden moeten uitdrukken wat we normaal zeggen door middel van beschrijvingen en pleidooien. In deze en volgende afleveringen van deze reeks zullen we enkele achtergronden van de gemaakte keuzes laten zien en verder ingaan op hoe herbronning daarin zijn plaats heeft gehad. We drukken hier nu eerst de volledige tekst af.


KNR-logo
Mission Statement

Konferentie Nederlandse Religieuzen


De Konferentie Nederlandse Religieuzen
verbindt heel het veelkleurig spectrum van instituten,
waarin het religieuze leven in katholiek Nederland gestalte heeft gekregen.

Binnen al deze instituten leggen religieuzen zich erop toe
Gods liefdevolle en barmhartige aanwezigheid te beleven en gestalte te geven
in een authentieke balans van actie en contemplatie,
in een leven van gebed, gemeenschap en engagement.

De KNR heeft als koepelorganisatie van de religieuze instituten
tot taak de onderlinge samenwerking te coördineren.

Zij richt zich daarin zowel op de behartiging van gezamenlijke belangen
als op de ondersteuning van de specifieke behoeften
van ieder religieus instituut afzonderlijk.
Zij stimuleert de presentie en de presentatie
van de religieuzen binnen kerk en samenleving.
Zij treedt namens hen samen op als officiële gesprekspartner.


Diverse religieuze instituten gaan een weg van inkrimping en afbouw.
Tegelijk sluiten zich bij een aantal gemeenschappen nieuwe leden aan
en ontstaan op verschillende plaatsen nieuwe vormen van religieus leven.

Voor allen betekent deze fase een proces van groei in de beleving van hun spiritualiteit,
een weg die hen als gelovige mensen bevestigt en uitdaagt.

Dit proces vraagt om een versterkte beleving van zuster- en broederschap,
die de grenzen van de verschillende religieuze gemeenschappen overstijgt
en die zich steeds meer internationaal oriënteert.

De KNR wil daarvoor een platform zijn.

Den Bosch, 3 december 2003
Religieuzen
– zusters, broeders, fraters, paters, monniken en monialen –
leiden, geraakt door Jezus Christus en het evangelie,
een leven van toewijding aan God,
aan hun gemeenschap en aan de naaste,
ruimte scheppend voor het zoeken en ter sprake brengen van God
en voor solidariteit en nabijheid.

Daarin weten zij zich ten diepste geworteld
in de kerk en in de samenleving,
waar zij vanuit hun opdracht tot profetische en creatieve trouw
trachten handen en voeten te geven aan Gods Rijk,
– door een luisterend oor voor Zijn stem
   en een open oog voor de tekenen van de tijd,
– door het beleven en present stellen van het evangelie
   volgens de eigen spiritualiteit,
– door positief-kritisch naar zichzelf,
   naar de ander en naar kerk en samenleving te kijken
– en door samen te werken met al diegenen die zich
   vanuit eenzelfde bewogenheid inzetten
   voor de heelheid van de mens en de heelheid van de schepping.

Concreet zijn religieuzen actief en ondersteunend op terreinen als
vrede en gerechtigheid, spiritualiteit, pastoraat,
vormings­werk, emancipatie en vluchtelingenwerk,
en binnen tal van projecten in de zorg, de sociale opvang,
vrouwen-netwerken, jongerenwerk, missie, onderwijs en wetenschap.  

Daarbij gaat hun aandacht speciaal uit naar de meest kwetsbaren in onze samenleving.
Veel gemeenschappen bieden ruimte voor stilte en bezinning.
Zo geven zij ieder op een eigen manier en plaats gestalte aan hun spiritualiteit.  

Zij trachten elkaar daarin te steunen en met elkaar samen te werken.
 
 
 
 
 

Gods liefdevolle en barmhartige aanwezigheid beleven en gestalte geven

Aan het slot van de vorige paragraaf is benadrukt dat de binnen de KNR samenwerkende religieuzen en religieuze instituten ‘op een eigen manier en plaats gestalte geven aan hun spiritualiteit’ (zie p. 3). Tegelijk heeft de werkgroep Mission Statement het aangedurfd om een soort gemeenschappelijke gerichtheid voorop te stellen. Meteen na de inleidende zin wordt het volgende gezegd:

‘Binnen al deze instituten leggen religieuzen zich erop toe Gods liefdevolle en barmhartige aanwezigheid te beleven en gestalte te geven in een authentieke balans van actie en contemplatie,in een leven van gebed, gemeenschap en engagement.’

Religieus leven vindt zijn fundament en zijn voeding in geraaktheid door God, op welke manier die ook tot stand komt. Daar ligt de grond en het waarom van onze toewijding. Maar het gehoor geven aan onze roeping is geen eindpunt. Het is voor alles het inslaan van een weg, een levensweg, waarin de beleving van een levende godsrelatie centraal staat. Daaraan is uitdrukking gegeven door te spreken van het zich toeleggen op het beleven en gestalte geven aan Gods liefdevolle en barmhartige aanwezigheid.

Zowel dat beleven van Zijn aanwezigheid als dat gestalte geven daaraan kan op heel veel verschil­lende manieren. We kunnen Hem ontmoeten in de ogen van armen, zieken of vluchtelingen. Hij kan ons tegemoet komen in ons gebed, in de natuur, of in onze onderlinge broeder- en zusterschap.

Vaak zal er ook een gevoel van godverlatenheid zijn. Misschien soms jaren lang. Maar wat ook dan kenmerkend blijft voor religieus leven, is het verwachtingsvol uitzien naar Zijn nabijheid.

Onlosmakelijk hiermee verbonden, en daarom in één adem ermee genoemd, is het gestalte geven aan deze liefdevolle en barmhartige nabijheid. Onze toewijding neemt ook de vorm aan van toewijding aan elkaar en aan de naaste. Zending kan nooit los staan van degene die er de oorsprong van is. Dat houdt in dat we al wat we doen, doen vanuit God: nabij zijn als gestalte van Gods nabijheid, werken alsof we Zijn handen zijn, bidden alsof wij Zijn smeking zijn en zelfs rusten alsof wij gestalte geven aan Zijn stilte.

Dat maakt ons apostolaat tot een door en door contemplatief gegeven. We kunnen zelfs stellen dat niet-contemplatief apostolaat niet bestaat. Wanneer wij Hem namelijk niet meer de eigenlijke werkende of biddende laten zijn in wat we doen, staat alles wat we ondernemen los van dat wat er de levensader van zou moeten zijn. Het is dan niet meer en niet minder dan menselijk zwoegen.

Bewust zijn in deze vier regels enkele kernwoorden verwerkt die verwijzen naar herbronnings­processen die de laatste jaren in religieus Nederland belangrijk zijn geweest. Een voorbeeld daarvan is het begrip barmhartig. Lange tijd hebben we ons met woorden als mededogen en barmhartigheid geen raad geweten. De laatste jaren staat het echter weer volop in de belangstelling als een religieus kernbegrip. Er is een brede Beweging van Barmhartigheid ontstaan en een groot aantal religieuze instituten heeft dit thema herontdekt als een fundamenteel gegeven van hun spiritualiteit. In die herwaardering is het van belang dat het primair een bijbelse aanduiding is van Gods goedheid en in tweede instantie – en op grond daarvan – een uitnodiging om ook zelf die goedheid gestalte te geven.

Een tweede voorbeeld vinden we in de woorden balans van actie en contemplatie. Boven besteedden we al even aandacht aan de verhouding tussen actie en contemplatie. Voor alle religieuzen is dit steeds een kernpunt geweest, maar met name onder de actieve vrouwelijke religieuzen was dit decennia lang een heet hangijzer. Hoe vinden we hierin een goede balans? Een SNVR-werkgroep Religieus Leven heeft zich hier de afgelopen jaren diepgaand mee bezig gehouden, wat geresulteerd heeft in een boeiende website over dit onderwerp: “In Balans: over actie en contemplatie in ons leven”.[4] Het gebruik van de woorden balans van actie en contemplatie in dit Mission Statement is een impliciete verwijzing daarnaar.

Herbronning zoekt misschien wel precies dat: een steeds nieuwe balans van de kernelementen van ons religieus leven. Niet zozeer concreet wordend in boekjes en statements, maar “in ons leven”. Dat wil zeggen, in onszelf in vervulling gaand:

‘Vandaag is het schriftwoord dat u gehoord hebt in vervulling gegaan.’ (Lucas 4,21)



  1. De voorgaande artikelen in deze reeks kunt u vinden op de website van de KNR: http://www.knr.nl/, onder de menuknop: “Publicaties”.
  2. Documenten die expliciet een rol speelden waren onder meer de Intentieverklaring van de SNVR, Het SNPR-document Wij Religieuzen... en de SNVR-Notitie Mission Statement. Ten behoeve van de werkgroep Mission Statement waren 16 documenten of delen daaruit gebundeld in een reader. Hierbij ging het steeds om – in herbronningsperspectief – nogal ‘jonge’ documenten.
  3. Perfectae Caritatis, Tweetalige uitgave: Decreet over de aangepaste vernieuwing van het religieuze leven, Vertaling drs A. van Rijen msc, in: Constituties en decreten van het tweede vaticaans concilie, nr. VIII, Katholiek Archief, De Horstink, Amersfoort 21(1966) nr. 1, paragraaf 2.e.
  4. Zie: http://www.religieuzen.nl/ menuknop: “In Balans”.