Geef mij van dat levend makend water

From SPIRIN
Jump to: navigation, search
Project Religieus Leven
Herbronning
Gedachten over Herbronning
Jakob en de Engel.origineel.jpg

Geef mij van dat levend makend water
Met Elisabeth Gruijters op pelgrimstocht
Pierre Humblet




Geef mij van dat levend makend water
Met Elisabeth Gruijters op pelgrimstocht

Pierre Humblet    2011Published


CB-spiritualiteit – een leven gevende pelgrimstocht

Bij de start van dit jubileumjaar van de congregatie, laten we ons door haar stichteres Elisabeth Gruijters meenemen op een reis door haar spiritualiteit. Met haar spiritualiteit bedoelen we dan zowel de spiritualiteit van Moeder Elisabeth zelf, als die van de congregatie.

Ik spreek hier van meenemen op een reis, omdat het niet mijn bedoeling is deze spiritualiteit te gaan beschrijven of een opsomming van kernelementen en hoofdlijnen te maken. Dan zou het verhaal buiten onszelf kunnen blijven. Nee, we gaan met Elisabeth Gruijters op pelgrimstocht.

Die woorden “met Elisabeth Gruijters” vormen een eerste ingang. Ze weerspiegelen namelijk hoe zij zelf haar weg ging en zich daarin verbond met diegenen die haar grote voorbeelden waren. Kenmerkend voor hoe zij schreef over haar biddende grondhouding, is namelijk het gebruik van het woord ‘met’. Enkele voorbeelden daarvan vinden we in de volgende citaten:

“Dan reep ik uit met dieen grooten Apostel: ‘We zal mij schijde van de liefde Gods...’" (EG 106)
“Maar alsdan sloeg ik mijne oogen naar den Hemel en te gelijk met de diesipelen op Zee en dan reep ik met gevouwe handen tot God, Heere, heere, behoud mij of ik moet vergaan.” (EG 101) [1]

Moeder Elisabeth bemediteerde de Schriftteksten waarnaar ze hier verwijst, ze ging er zelf in binnen en verbond zich al biddend met Paulus en met de angstige leerlingen op het meer. Ze ging met hen mee en werd daardoor deelgenoot van hun religieuze weg. Deze manier van zich verbinden beperkt zich niet tot haar biddende omgang met bijbelse figuren. Ook haar apostolische grondhouding wordt erdoor getekend, want ook daar zien we dat zij zichzelf echt deelgenoot maakte van het verhaal van de mensen bij wie zij betrokken raakte. Na afloop van haar ontmoetingen kon zij zich er niet meer van losmaken:

“Want als ik sondaags een wijnig tijd had, dan ging ik naar de Calvariberg met die arme menschen de rosenkrans bidden. Te huis komende en in mijne bezigheden zijnde, kwammen mij die arme menschen voor ogen en zwefde voor mijnen geest. Dan did ik met veel traanen mijn beklag aan den Hemel om op het Gesticht Calvareberg aan die elendege mijne liefdewerken te konnen uitoffenen...” (EG 113)

Het is in deze diepe verbondenheid dat zij haar roeping en die van de congregatie leerde verstaan, zo vertelde ze:

“Wat mij nu betreft, ik had die stem nog in de werld zijnde, mogelijk 10 of 12 jaren tevoren, als er nog nimand op dagt in mijn hard gehoord.” (EG 113)

Haar weg van gebed en apostolaat was een gaan in verbondenheid en in die zin een pelgrimstocht: een reis waarbij uiteindelijk niet het eindpunt het hoogste doel is, maar de vormende en omvormende werking van het gaan van de weg. De spiritualiteit van Moeder Elisabeth was daarom ook nooit een afgerond gegeven. Steeds, tot de laatste seconde, was ze met haar Beminde onderweg.

Levend makend water

Uitgangspunt van dit artikel zijn de woorden van EG 140, waar Moeder Elisabeth als in een notendop haar geestelijke levensweg samenvat. Ze schetst het huidige stadium daarvan als ‘donkere nacht’. Ze blikt terug op de perioden waarin ze rijkelijk bedeeld werd met mystieke ervaringen, haar ‘wittebroodsweken’. Maar ook vertelt ze hoe zij in het hier en nu omgaat met ‘haar Jezus’, haar Beminde. Ze schrijft:

“Want ik zit al veel liever van tijd tot tijd bij mijne lieve, vermoeijde Jesus op den put van Jakob met de Samaretaansche vrouw en ik zeg hem zoo dikwils: hiere... ik dorst... geeft mij van dat levendmakend water, maar hijlaas, ik heb mijn wittebroodtje voorgegeten, ik zweef nu in de duistere nacht, maar toch met kloeke moed, op ‘t woord van mijne Geestelijke Lijdsman, weerp ik alle dagen ‘t net uit.
Dat den naam des heeren in der eeuwigheid gebenedeid zij, amen.” (EG 140)

Als vanzelf trekken onze ogen naar de gebedswoorden tot Jezus, die ze hier formuleert: “Hiere... ik dorst... geef mij van dat levendmakend water.” Niet voor niets is de titel van dit artikel daaraan ontleend. Toch zijn de voorafgaande regels misschien nog wel belangrijker voor haar spiritualiteit en voor de spiritualiteit van de congregatie. Deze zin namelijk: “Want ik zit al veel liever van tijd tot tijd bij mijne lieve, vermoeijde Jesus op den put van Jakob met de Samaretaansche vrouw.”

Voorafgaand aan haar woorden van gebed, voorafgaand aan wat zij aan Hem vraagt, drukt zij haar behoefte uit aan Zijn nabijheid. Die beleving van Zijn levende nabijheid is wat haar gedurende haar leven het meest gekenmerkt heeft. Wat we in de vorige paragraaf over verbondenheid schreven, is in deze tekst het startpunt.

In de woorden "mijne lieve, vermoeijde Jesus" laat ze zien dat ze de evangelietekst van Johannes goed in zich opgenomen had, want daar staat inderdaad: “Jezus was vermoeid van de reis...” (Joh 4,6). Blijkbaar had zijn gesteldheid indruk op haar gemaakt. Door ook hier dat woord ‘met’ te gebruiken, kruipt Elisabeth bovendien in de rol van de Samaritaanse vrouw: “met de Samaretaansche vrouw.” Vanuit die positie stelt ze dan de kernvraag die Jezus in het Johannesevangelie aan de Samaritaanse voorstelde: “Hiere... ik dorst... geeft mij van dat levendmakend water.”

Maar sterker dan de Samaritaanse, zoekt Elisabeth toenadering tot Hem. Ze gaat zelfs bij Hem op de rand van de put zitten en ook in haar verdere woorden klinkt haar verlangende genegenheid door: ‘mijne’ en ‘lieve’ Jezus. Het verhaal bij de put van Jakob wordt haar verhaal met Hem.

Dit met Hem onderweg zijn stond voor haar ook voorop wat betreft haar medezusters. De tekst van EG 140 staat namelijk niet op zich. Ze vormt de afsluiting van een passage die ook EG 138-139 omvat. Daar gaat het om de mogelijkheid voor de zusters om de eucharistie te vieren, te biechten en maandelijks “een hartroerende onderrechting tot onsen geestelijken voordgang” bij te wonen (EG 139). Diverse keren beschrijft ze daarna hoe dankbaar ze daarvoor is:

“... een geluk waarvoor wij den al Goede God niet genoeg konnen danken. Neen, dit geluk en die gratie, wat hierin opgesloeten is, dit kan ik met de pen niet uitdrukken. (...) dit verschaft ons alle eene zeer Geestelijke blijdschap. En wat mij betreft, ik stel er meer belang in als in al de rijkdommen van heel Maastricht.” (EG 139)

De geestelijke groei van haar medezusters is haar uiterst dierbaar en het is precies tegen die achtergrond dat zij daarna in EG 140 schrijft over haar eigen geestelijke weg. Ze wil ons niet zomaar vertellen over zichzelf. Ze deelt haar persoonlijke ervaring om daarmee nog eens extra te benadrukken dat zij aan ieder gunt wat zij ook voor zichzelf hoopt. Het woordje "want", waarmee zij EG 140 begint, verbindt die beide kanten: haar zorg om de groei van haar zusters en haar eigen verlangen naar groei in verbondenheid met Christus.

Een bron van levend makend water worden

Gedurende de laatste veertig jaren heeft de spiritualiteit van de congregatie steeds meer identiteit gekregen. Dat gebeurde niet doordat haar karakter veranderde, maar doordat zij  haar wezenstrekken steeds meer ging herkennen in de spiritualiteit van haar stichteres, Elisabeth Gruijters. Zij liet ons een beschrijving na van hoe zij persoonlijk haar roeping, haar religieuze weg en de stichting van de congregatie beleefd heeft. Door dat kleine boekje is zij voor ons tot bron van levend water geworden. Op deze manier wil zij ook ons verhaal binnengaan en zich met ons verbinden.

CB-zuster zijn in haar geest, daagt ons uit. Ook wij gaan onze weg met Hem en op die pelgrimstocht kan Moeder Elisabeth een gids zijn die ons wegen wijst naar bronnen van levend water. Het gaat er daarbij niet om haar te imiteren, maar om onze eigen verhouding tot God en onze naasten zo te beleven dat wij zelf, onze gemeenschappen en de congregatie als geheel, steeds meer worden tot bron van levend water.

De grote kracht van de spiritualiteit van Elisabeth Gruijters, is dat zij ons niet vertelt en voorschrijft wat die is, maar dat zij er de grondhouding van laat zien. Zij toont ons een manier van met Christus en met de geloofstraditie onderweg zijn. Dat geeft de CB-spiritualiteit een weldadige openheid. Ze is niet in een aantal beginselen of dogmatische teksten vastgelegd, maar toont zich aan ons als een voortgaande religieuze levensweg. CB-spiritualiteit is niet ‘een iets’, maar is ‘iets dat aan jou gebeurt’. Zij leert ons hoe wij water kunnen putten uit de bron en daardoor zelf tot bron kunnen worden.

Deze weg die Moeder Elisabeth ons laat zien is er een die zich aan ieder van ons en aan iedere levensfase kan aanpassen. Ook haar eigen omgang met haar Beminde en Zijn omgang met haar is immers niet steeds gelijk geweest. Wat constant was, was het feit dat Hij in haar leven centraal stond als Degene die haar tot Liefdezuster maakte. In de traditie van deze congregatie betekent dat niet in de eerste plaats ‘iemand zijn die zich inzet voor charitatieve werken’, maar ‘een vrouw zijn die doordrenkt is van Zijn liefde’.

Die liefde komt van Hem en wordt gevoed door onze band met Hem. Daarin en daardoor is het mogelijk liefdezusters te zijn, voor Hem, voor elkaar en voor onze naasten. Het gebed van EG 39 vertolkt dat proces van groei in wederkerige liefde. Beginnend bij Hem, als haar en onze Minnaar (r. 1), komt Elisabeth Gruijters via het ontbranden in wederliefde (r. 3) uit bij het tot Zijn dienst bekwaam worden (r.4). Deze dienst aan Hem vloeit bijna automatisch over in dienstbaarheid aan de naasten en aan hun religieuze weg (r. 6). Zij worden in deze beweging meegenomen:

O... Zoeten minnaar van mijn hert.-
Maekt mij dielagtig van uwe smert.-
Geeft dat mijn hert in liefde vlamt.-
Maekt mij tot uwen dienst bekwaam.-
Doch niet alleen tot mijn prophijdt.-
Maar ook tot mijn Evennaastens Zaligheid. Amen. (EG 39)

Onze pelgrimstocht mondt erin uit dat onze naasten voor ons tot reisgenoten kunnen worden. Het maakt daarbij niet zoveel uit welk apostolaat wij concreet bedrijven en met wie we omgaan. Wezenlijk is dat wij zelf op zo‘n manier met Hem verbonden zijn, dat wij op onze beurt tot bron kunnen worden voor anderen.

Zou dat kunnen, dat wij als religieuzen en als congregatie een bron van levend makend water worden, zoals Moeder Elisabeth een bron werd voor ons?

Vragen voor bezinning

  1. Wanneer je jouw religieuze weg als een pelgrimage overziet, kun je dan een moment (of momenten) aanwijzen waarop je Jezus Christus als je reisgenoot ontdekte?
  2. Ook jij bent uitgenodigd om niet alleen levend makend water te ontvangen, maar het ook te zijn en te worden voor anderen. Wat zou daarvoor dan de manier kunnen zijn die past bij jouw talenten en jouw roeping?

  1. Andere voorbeelden van deze manier van spreken, zijn te vinden in EG 31, EG 106 en EG 140.