En hij ging op reis...

From SPIRIN
Jump to: navigation, search
Gedachten over Herbronning
Jakob en de Engel.origineel.jpg

En hij ging op reis...
Gedachten over Herbronning – Deel 05
Pierre Humblet




En hij ging op reis...
Gedachten over Herbronning – Deel 05

Pierre Humblet    2004Published


En hij ging op reis… – Gedachten over herbronning (5)[1]

Wedergeboorte van Religieus leven

Waar Lucas de geboorte van Jezus Christus be­schrijft, komt meteen de Geest ter sprake. Hij laat een Engel tegen Maria de volgende gedenk­waardige woorden uitspreken over diens herkomst:

‘Heilige Geest zal op u komen en kracht van de Allerhoogste zal u overdekken.
Daarom zal het kind heilig genoemd worden, Zoon van God.’
(Lucas 1,34-35)

Wat geldt voor dit kind, geldt ook voor het religieuze leven: de Geest is er de drijvende kracht van. Zij maakt ons toe­ge­wijd aan God, voortdurend en steeds weer (op-)nieuw.

We zagen het ook in het vierde deel van deze reeks, dat verscheen in het februarinummer van dit tijdschrift. Toen stonden we stil bij het optreden van Jezus in de synagoge van Nazareth, waar hij de volgende tekst voorlas uit Jesaja:

‘De Geest van de Heer rust op mij; daartoe heeft Hij mij gezalfd.
Om aan armen de goede boodschap te brengen heeft Hij mij gezonden…’

Onze roeping en onze zending als religieuzen is – zoals we dat hier zien bij Jezus zelf – onlosmakelijk verbonden met het ontvangen van de Geest.

Op dit gegeven willen we deze keer graag dieper ingaan, speciaal vanuit het perspectief van de vernieuwing, de wedergeboorte van het religieuze leven. Een tekst die ons daarbij kan helpen, vinden we in Handelingen 8,26-39. Het complete verhaal drukken we hier eerst af.


(26) “Een engel van de Heer sprak tot Filippus: `Ga op reis in zuidelijke richting, naar de weg die van Jeruzalem naar Gaza loopt.' (Dat is de woestijn­weg.) (27) En hij ging op reis. Nu was er net een Ethiopiër op de terugreis van een pelgrimstocht naar Jeruzalem; het was een eunuch, [2] een hoge ambtenaar van de kandake, de koningin van Ethiopië, belast met het beheer van haar schatkamer. (28) Hij zat in zijn reiswagen de profeet Jesaja te lezen. (29) De geest zei tegen Filippus: ‘Ga naast die wagen lopen.’ (30) Filippus liep er snel naar toe, hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zei tegen hem: ‘Begrijpt u eigenlijk wel wat u leest?’ (31) Daarop zei hij: ‘Hoe zou ik dat kunnen als niemand mij wegwijs maakt?’ En hij nodigde Filippus uit in te stappen en bij hem te komen zitten. (32) Dit was het schriftgedeelte dat hij aan het lezen was:
Als een schaap werd hij ter slachting geleid, en als een lam dat stom is voor zijn scheerder deed hij zijn mond niet open.
(33) In zijn vernedering werd zijn oordeel weggenomen. Wie zal zijn afkomst beschrijven? Want van de aarde wordt zijn leven weggenomen.’ [Jes 53,7-8]

(34) De eunuch richtte zich tot Filippus: ‘Mijn vraag is van wie de profeet dit zegt, van zichzelf of van iemand anders?’ (35) Daarop begon Filippus te spreken en bracht hem, met dit schriftgedeelte als uitgangspunt, de goede boodschap van Jezus.

(36) Toen ze hun weg vervolgden kwamen ze bij water. De eunuch zei: ‘Kijk, water! Wat is er tegen dat ik gedoopt word?’ (38) Hij liet de wagen stilhouden en beiden gingen ze het water in, Filippus en de eunuch, en hij doopte hem. (39) Toen ze uit het water kwamen, nam de geest van de Heer Filippus ineens weg. De eunuch zag hem niet meer; hij vervolgde zijn weg met vreugde.” (Hand 8,27-39)[3]


En hij ging…

De schrijver (de evangelist Lucas) laat ons hier meelopen met Filippus. Deze apostel was genezend en verkondigend actief in Samaria (zie Hand 8,4-15). In deze tekst zien we hoe hij, op aanwijzing van een Engel, van daar naar de woestijnweg richting Gaza gestuurd wordt:

‘Ga op reis in zuidelijke richting, naar de weg die van Jeruzalem naar Gaza loopt.' (Dat is de woestijn­weg.) (27) En hij ging op reis.’

Dit is zending op zijn scherpst. Je hoort: “Ga…” en je gaat daarheen waar je gezonden wordt. Opval­lend is dat hier over het doel en de reden van die reis nog met geen woord gesproken wordt.

Misschien is dat ook wel typerend voor onze zending als religieuzen. Het gaan zelf – geraakt door een woord, een kracht, een engagement – is de kern van ons leven. Het ‘waarheen’ en ‘waarom’ is iets dat we meestal gaandeweg moeten ontdekken. Steeds opnieuw herontdekken ook. Onze primaire missie is het religieuze leven zelf.

Wordt dat dan niet passief en statisch? Zeker niet, zo leert ons dit voorbeeld van Filippus. Juist door ervoor te waken dat dit gaan van de religieuze weg de spil blijft van onze missionariteit, ontstaat er openheid en ruimte. Enerzijds voor dat wat ‘op je weg komt’, anderzijds voor een levendig contact met de Geest die er de sturende en stuwende kracht van is. Dan kan echte ontmoeting plaatsvinden en ontstaat – zoals in dit verhaal – ruimte voor religieuze dialoog:

“Nu was er net een Ethiopiër op de terugreis van een pelgrimstocht naar Jeruzalem; het was een eunuch, een hoge ambtenaar van de kandake, de koningin van Ethiopië, belast met het beheer van haar schatkamer. Hij zat in zijn reiswagen de profeet Jesaja te lezen. De geest zei tegen Filippus: ‘Ga naast die wagen lopen.’ Filippus liep er snel naar toe, …” (Hand 8,27-30)

We zien hoe Filippus een Ethiopische pelgrim tegenkomt, die op de terugtocht is van een bedevaart naar Jeruzalem. In één treffende zin wordt hij ons geschetst, waarbij een totaal andere wereld voor ons opengaat: ... een Ethiopiër… pelgrimstocht … eunuch … hoge ambtenaar … kandake … koningin van Ethiopië… schatkamer …  reiswagen. Een exotisch tafereel, maar toch gewoon een reiziger als u en ik, die zijn leven spiegelt aan de Schrift: “Hij zat in zijn reiswagen de profeet Jesaja te lezen.” (28)

Hij las hardop, zoals dat toen gebruikelijk was, ook wanneer men slechts voor zichzelf las. Zodoende was hij voor Filippus hoorbaar. Deze valt meteen met de deur in huis en vraagt: “Begrijpt u eigenlijk wel wat u leest?” Dat blijkt een schot in de roos en de Eunuch antwoordt: “Hoe zou ik dat kunnen als niemand mij wegwijs maakt?” Hij zoekt naar de betekenis van deze tekst, maar daaronder schuilt het verlangen om wegwijs te worden in zijn eigen leven, zijn levensweg. Er ontspint zich dan tussen deze twee reizigers een geloofsgesprek.

De man legt aan Filippus de kernvraag voor die hij heeft bij de zojuist gelezen tekst: “Mijn vraag is van wie de profeet dit zegt, van zichzelf of van iemand anders?” Vaak werden deze woorden door Joodse schriftgeleerden op de Messias betrokken en in dat licht moeten we die vraag hier verstaan. In feite wordt gevraagd: spreekt de profeet hier over zichzelf of over de Messias?

Voor Filippus is dit zoiets als een bal voor open doel en hij grijpt zijn kans: “Daarop begon Filippus te spreken en bracht hem, met dit schriftgedeelte als uitgangspunt, de goede boodschap van Jezus.” (35) Hij betrekt deze tekst op de Messias, en wel op Jesus Christus als de Messias.

Dit gebeuren laat ons een typisch moment van herbronning zien. De dood en verrijzenis van Jezus Christus hebben voor zijn leerlingen een nieuw licht geworpen op de oude bronnen van Israël. Oude teksten kregen voor hen een nieuwe, actuele betekenis, maar omgekeerd kreeg hun eigen ervaring vanuit deze tradities een nieuwe dimensie. In dat licht ook overweegt Filippus met hem deze tekst; de eunuch wordt innerlijk geraakt en komt tot de conclusie: het gaat over Jesus Christus, maar het gaat om mij.

“Uitgangspunt van herbronning is steeds het actuele ontmoetingsmoment, waarin zowel de traditie als ons leven nieuwe betekenis en een nieuw perspectief ontvangen.

Aan deze Eunuch wordt dat zichtbaar. De ontmoeting met Filippus wordt tot een keerpunt in zijn leven. Hij vraagt dan ook om gedoopt te mogen worden:

“Toen ze hun weg vervolgden kwamen ze bij water. De eunuch zei: ‘Kijk, water! Wat is er tegen dat ik gedoopt word?’ Hij liet de wagen stilhouden en beiden gingen ze het water in, Filippus en de eunuch, en hij doopte hem.”(36-38)

De doop is een sacrament van omvorming. Het symboliseert en bekrachtigt een fundamentele heroriëntatie van ons leven vanuit een betrokkenheid op God, op Jesus Christus. Door zijn doopvraag geeft de eunuch uiting aan zijn verlangen naar die heroriëntatie. Daarbij vragen we ons misschien af hoe ver dit reikt. Wordt er ook een echte ommekeer zichtbaar of blijft het bij dit ritueel? Het myste­rieuze slot van dit verhaal wijst erop dat deze gebeurtenis ook verder zijn uitwerking niet mist.

‘Toen ze uit het water kwamen, nam de geest van de Heer Filippus ineens weg. De eunuch zag hem niet meer; hij vervolgde zijn weg met vreugde.’ (39)

Het is op zich natuurlijk al vreemd dat Filippus zomaar wordt weggenomen door de Geest. Om elk misverstand te voorkomen wordt nog even gezegd dat de eunuch hem niet meer zag. Filippus is echt weg.

Vreemder is echter dat de eunuch er niet eens van opkijkt. Hij is blijkbaar niet meer van zijn stuk te brengen en hij vervolgt zijn weg met vreugde. Hij blijft niet ‘verweesd en in verwarring’ achter. De Geest heeft duidelijk meer gedaan dan alleen maar Filippus wegnemen.

Het begrip vreugde dat hier gebruikt word, is in het nieuwtestamentisch Grieks namelijk nauw verbonden met de Geest en haar gaven.[4] Het evangelie is een vreugdeboodschap en heel het nieuwe testament is van dat besef doortrokken. Dat begint al bij Jezus’ geboorte: “Schrik niet, want ik heb een goede boodschap voor jullie, een grote vreugde voor het hele volk.” (Lucas 2,10) Wie gegrepen wordt door die boodschap wordt door deze vreugde aangestoken. Daarom beschrijft Paulus de vreugde ook als een van de geestesgaven: “de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, (...).” (Galaten 5,22)[5]

Dat de eunuch Filippus niet meer zag, was dus geen probleem. Het was niet meer nodig, omdat er nu een nieuwe, onafscheidelijke reisgezel was, die hem sterkte in zijn nieuwe levensoriëntatie. Zodoende kon hij nu op weg gaan ‘met vreugde’ zoals we ook zien in Psalm 16,11:

‘U maakt mij vertrouwd met de weg naar het leven,
met overvloedige vreugde bij U,
met groot geluk aan uw rechterzijde, voorgoed.’

Een luisterend oor voor Zijn stem

Aan het slot van het vorige artikel in deze reeks, schreven we dat herbronning een zoeken inhoudt van een steeds weer nieuwe balans van de kernelementen van ons religieus leven. Niet zozeer concreet wordend in boekjes en statements, maar “in ons leven”. Dat wil zeggen, in onszelf in vervulling gaand.
Een aantal van die kernelementen ontmoeten we in dit verhaal.

Een van de meest opvallende daarvan is de rol van de Geest in het optreden van Filippus. Een Engel stuurt hem op weg (‘Ga…’ – ‘En hij ging…’); de Geest geeft richting aan zijn optreden (‘Ga naast die wagen lopen’), de Geest neemt hem weg aan het eind van het verhaal en Zij wordt werkzaam over de eunuch.

Onze zending, onze missie wordt geleid door de Geest; ze gebeurt niet op eigen gezag en uit eigen kracht. Bovendien is dat wat ze uitwerkt ook weer de voortgaande werking van die Geest. In het zojuist verschenen visiestuk van het CMBR, Op zoek naar sporen van God – deel II , wordt dit als volgt uitgedrukt:

‘Missie is niet zozeer eigen initiatief. Het wordt ons aangereikt. Missie is Gods werk en onze op­dracht. Het vergt dat men met aandacht leeft voor de sporen van God in deze wereld. Het wordt dan ook gevoed door bezinning, gebed en contemplatie. Om de inzet vol te houden is het nodig om regelmatig krachten op te doen, zodat de vlam brandend gehouden wordt. Tussen de dagelijkse ervaring en het gebed is een wisselwerking. De ervaring voedt het gebed. En het gebed en de con­templatie maken de geest scherp voor waar het God om gaat en wat daar niet mee van doen heeft.’ [6]

In die zin kunnen we Filippus als een model beschouwen voor onze missionaire grondhouding. Daarbij maakt het niet uit of we monnik of moniale zijn in Nederland, pastor in Utrecht of missionaris in Chili. Ook doet het er niet toe of we hoogbejaard zijn, of jong en in de kracht van ons leven. Voor iedere religieus – voor ieder Christen – geldt dat het levende contact met de Geest de spil is van onze roeping en onze zending.

In het Mission Statement van de KNR is op verschillende manieren geprobeerd dit besef tot uitdrukking te brengen, onder meer in de volgende passage: [7]

1. 



Religieuzen (…) leiden, geraakt door Jezus Christus en het evangelie,
een leven van toewijding aan God, aan hun gemeenschap en aan de naaste,
ruimte scheppend voor het zoeken en ter sprake brengen van God
en voor solidariteit en nabijheid.
5. 




10. 


Daarin weten zij zich ten diepste geworteld in de kerk en in de samenleving,
waar zij vanuit hun opdracht tot profetische en creatieve trouw
trachten handen en voeten te geven aan Gods Rijk,
– door een luisterend oor voor Zijn stem en een open oog voor de tekenen van de tijd,
– door het beleven en present stellen van het evangelie volgens de eigen spiritualiteit,
– door positief-kritisch naar zichzelf, naar de ander en naar kerk en samenleving te kijken
– en door samen te werken met al diegenen die zich vanuit eenzelfde bewogenheid inzetten
   voor de heelheid van de mens en de heelheid van de schepping.

In de vijfde regel is hier sprake van onze opdracht om in ‘profetische en creatieve trouw te trachten handen en voeten te geven aan Gods Rijk’. Traditioneel wordt bij profetisch optreden vooral gedacht aan kritisch zijn ten opzichte van kerk en samenleving; naar buiten toe dus. Ook kan het verlangen om ‘handen en voeten te geven aan Gods Rijk’ vervallen tot een soort van activisme.

Om die reden is steeds gezocht naar formuleringen die een goede balans bewaren in de dynamische verhouding tussen actie en contemplatie. In de derde regel bijvoorbeeld door te schrijven:

‘ruimte scheppen voor het zoeken en ter sprake brengen van God en voor solidariteit en nabijheid.’

Bij de verdere invulling wordt vervolgens steeds het luisterende en contemplatieve element als startpunt genomen en nauw verbonden met de meer naar buiten gerichte krachten:

‘door een luisterend oor voor Zijn stem en een open oog voor de tekenen van de tijd,
door het beleven en present stellen van het evangelie (...),

positief-kritisch naar zichzelf, naar de ander en naar kerk en samenleving kijken’

[vanuit eigen bewogenheid] samenwerken met al diegenen die zich vanuit eenzelfde bewogenheid inzetten.’

Filippus en de eunuch: samen één model

We zijn misschien geneigd om – aansluitend bij het verhaal van Filippus en de eunuch – de religieu­zen vooral te identificeren met de missionerende rol van Filippus. Zinvoller lijkt het mij om er van uit te gaan dat we tegelijk ook op de plaats van de eunuch staan. (We zouden immers ook positief-kritisch naar onszelf kijken.)

In het religieuze leven zijn er steeds opnieuw momenten waarop wij behoefte hebben aan een grondige heroriëntatie. Hoe kunnen we opnieuw ‘wegwijs gemaakt’ (Hand 8,31) worden? Durven we ons open te stellen voor de onrustig makende kracht van de Geest? Willen we ons laten gezeggen door iemand die – zoals Filippus – vanuit een andere kijkrichting onze traditie(s) in een nieuw daglicht stelt en daarmee morrelt aan onze toekomstperspectieven?

Ons charisma kan alleen een levend Charisma zijn wanneer het in contact blijft met die Geest die er de bron van is. Dat vraagt een vergaande openheid, die noodzakelijk samengaat met een stevige verwor­teling in het fundament van de eigen traditie.

Een tweede punt waarop de eunuch voor ons een belangrijke boodschap heeft, is de vreugde waarmee hij zijn weg vervolgt. Evangelische vreugde moet in het religieuze leven een haast tastbaar gegeven zijn. Het religieuze leven is een levensweg die niet een voortdurend offer is waaronder we gebukt gaan, maar in de eerste plaats een manier van leven die erop gericht is gelukkig te zijn.

Dat laatste is misschien gemakkelijker gezegd dan gerealiseerd. In de praktijk overheerst vaak een zekere ‘zwaartekracht’. We voelen ons onmachtig. Zaken als vergrijzing, krimp en afbouw zijn de overwegende toonzetters. Maar juist dit stelt ons voor de uitdaging om, zonder deze realiteit te verdoezelen

  • geloof in religieus leven als een reëel levensperspectief te blijven stimuleren,
  • hoop op toekomst daarvan te blijven aanwakkeren en
  • onze liefde voor deze manier van leven te blijven uitdragen.

Op het in november van dit jaar in Rome gehouden UISG / USG - Congres over het Religieuze Leven, heeft dit appel duidelijk gestalte gekregen. Vertegenwoordigers van religieuze instituten en nationale conferenties van religieuzen overdachten samen wat de rol van de religieuzen in de huidige kerk en samenleving zou kunnen zijn.[8] Het werkdocument dat daarbij als leidraad diende, geeft een aantal handreikingen. Met een gedeelte daaruit willen we dit artikel graag afronden, omdat het scherp verwoordt waar deze uitdaging hier en nu voor ons gestalte krijgt:

‘Een authentieke vernieuwing van het religieuze leven en een revitalisering van haar missie moeten voortkomen uit een gezonde en levendige spiritualiteit. We zien in onze wereld een dorst naar het heilige en een verlangen naar spiritualiteit, zin en transcendentie. Tegelijk beweegt een te groot vertrouwen op onszelf, op macht, op technlogie en op welvaart ons ver van het Absolute vandaan. (...)
Zowel in de kerk als in het religieuze leven werkt de omringende wereld een tendens in de hand naar een vorm van afgoderij die gestalte krijgt in een cultus van de media, de machtigen, de instituties, gewoonten, ritualisme en wetten. Dit maakt bekering tot de ene en enige Absolute en Onmisbare moeilijk. Het maakt ook de passie voor God en voor het rijk van God problematisch.
De uitdaging tot een diepe ervaring van God en tot een passie die missie-georiënteerd is, innovatief en profetisch, kunnen we beschouwen als een bekering tot de levende God. Honger naar God voedt onze exodus en missie geeft betekenis en zin aan onze roeping als Christen en als Religieus. Bovendien is het goed dat we beseffen dat de nieuwe ervaringen en vormen van spiritualiteit niet enkel de vruchten zijn van menselijk zoeken, maar ook waarachtige signalen van appel en uitdaging door de Geest om te komen tot een samenleving en mensheid die de wegen van transcendentie (nog) niet gevonden hebben, maar nog verlangend zoeken naar het mysterie van het Gelaat van God (VC 84).
De dorst naar God en naar een gezonde spiritualiteit voor onze tijden enerzijds, en de tendens naar verafgoding en wereldsheid anderzijds, bieden ons de gelegenheid om onze visie op wat ‘religieus’ is uit te zuiveren en om nieuwe manieren te vinden om dat uit te drukken. Zo kunnen we onze passie voor de God van het Verbond concreet gestalte geven. Het religieuze leven zal zijn identiteit hervinden wanneer het zich manifesteert en handelt als een getuigenis van God, als een verkondiger van God’s Rijk en wanneer het langs serieuze spirituele wegen op een intelligente en invoelende manier luistert naar wat in het menselijk hart omgaat. (...)
Een spiritualiteit die in staat is om op een gelijkwaardige manier oog in oog te staan met de uitdagingen en verwachtingen van de mannen en vrouwen van onze tijd, moet gevoed worden door dagelijks biddend te luisteren naar het Woord. (...) Enkel door deze ervaring van leven vanuit de Geest als fundament te gebruiken, kunnen we bemoedigen en opwekken tot een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de komst van het Koninkrijk van God en in de geschiedenis va het religieuze leven.
Al naar gelang verschillen in culturele en religieuze context, kan deze spiritualiteit meer nadruk leggen op elementen van innerlijkheid of van historisch engagement, maar ze mag nooit nalaten voortdurend te zoeken naar dynamische balans tussen deze twee perspectieven.’ [9]

De titel van de eerste paragraaf van dit artikel luidt: wedergeboorte van religieus leven. We hopen dat deze zoekend geschreven advents-bijdrage ons kan sterken in het besef dat de Engel ook tot ons als religieuzen zegt:


‘Heilige Geest zal op u komen en kracht van de Allerhoogste zal u overdekken.’



  1. Dit is het vijfde deel van een artikelen­reeks over herbronning. De eerste afleveringen verschenen in de KNR-bulletins van decem­ber 2002, februari 2003, april 2003 en februari 2004. Deze kunt u vinden op de website van de KNR: http://www.knr.nl/, onder de menuknop “Publicaties”.
  2. Een eunuch is een gecastreerde man. Hogere hofdienaren en harembewakers waren in het oude oosten vaak gecastreerden. Zie bijvoorbeeld het boek Esther 1,10-12; 2,3-15 en Jesaja 56,3-5.
  3. Vers 37 ontbreekt in deze schrifttekst. Moderne vertalingen laten dat vers meestal weg, omdat het in de meeste handschriften niet voorkomt. Het is waarschijnlijk een latere toevoeging.
  4. Het griekse woord ‘chara’ (vreugde) en het daarmee verbonden werkwoord ‘chairoon’ (zich verheugen) dat hier gebruikt wordt, zijn verwant aan de begrippen ‘charis’ (genade) en ‘charisma’ (genadegave).
  5. Zo ook: “(...) toen gij het woord hebt aangenomen onder allerlei beproevingen en toch met vreugde van de heilige Geest.” (I Tes 1,6) Zie ook Rom 14,17 en 15,13.
  6. Centraal Missionair Beraad Religieuzen, Op zoek naar sporen van God – deel II. Visiestuk van het CMBR over de toekomst van de missionaire beweging, CMBR, Den Haag oktober 2004, p.6.
  7. In het vorige artikel hebben we beloofd dat we een aantal keren aandacht zouden besteden aan dit Mission Statement en aan de manier waarop we dit kunnen zien als het resultaat van een herbronningsproces. De volledige tekst vindt u hier en op de website van de KNR: http://www.knr.nl/, onder de menuknop “Mission Statement”.
  8. UISG / USG – Congres over Religieus Leven. Van 22 tot en met 27 november waren in Rome ruim 800 religieuzen bijeen om samen na te denken over de positie en de toekomst van het religieuze leven in onze kerk en samenleving. Het werkdocument wijst met zijn titel al in een duidelijke richting: "With a passion for Christ and passion for humanity": "De roeping die van Jezus Christus uitgaat naar de religieuzen is tegelijk uitnodigend en leven gevend. Het is een roeping om Hem hartstochtelijk na te volgen, bewogen door Zijn compassie, om te delen in Zijn passie voor iedere mens." (paragraaf I, p. 2). Meer informatie vindt u op de website van Vidimus Dominum [www.vidimusdominum.org]. Namens de KNR was onze voorzitter, Tjeu Timmermans ocarm. op dit congres aanwezig. Elders in dit blad staat een kort door hem geschreven verslag.
  9. Door de auteur vertaald uit het werkdocument van het UISG / USG – Congress 2004. With a Passion for Christ and Passion for Humanity, paragraaf 41-44. De volledige tekst van dit document kunt u vinden op de KNR-website: http://www.knr.nl/, onder de menuknop “Publicaties”.