Een tak ontspruit aan de stronk van Isaï

From SPIRIN
Jump to: navigation, search
Gedachten over Herbronning
Jakob en de Engel.origineel.jpg

Een tak ontspruit aan de stronk van Isaï
Gedachten over Herbronning – Deel 01
Pierre Humblet




Een tak ontspruit aan de stronk van Isaï
Gedachten over Herbronning – Deel 01

Pierre Humblet    2002Published


Een tak ontspruit aan de stronk van Isaï – Gedachten over herbronning (1)

Ieder jaar opnieuw bereiden we ons in de advent voor op het kerstfeest. We beginnen een nieuw kerkelijk jaar en we lezen teksten van verwachting, van hoop op nieuw leven vanuit de bronnen van ons geloof. In die zin is de adventstijd een typische tijd van herbronning. Vanuit dat gezichtspunt willen we hier stilstaan bij herbronning van religieus leven. Wat is dat? Wat heeft het ons te bieden en waar daagt het ons toe uit?

Misschien ligt dit onderwerp niet meteen voor de hand: zijn we immers niet al een halve eeuw bezig met herbronning van ons religieus leven? Zouden we dan nog steeds niet weten wat dat inhoudt? Toch valt op dat er weliswaar een vloedgolf van publicaties is geweest die herbronning beogen of bedrijven, maar dat er niet of nauwelijks geschreven is over de aard van die activiteit.[1] Ook worden in het document Wij Religieuzen... enkele vragen gesteld bij waar het in een dergelijk proces om zou moeten gaan: Is het mogelijk ergens opnieuw te beginnen? Gebeurt de herbronning radicaal genoeg? Gebeurt ze voldoende aan onszelf? Moeten we niet verder gaan en doorvragen naar de voedingsbodem en de context van onze bronnen? Kunnen die bronnen voor ons – hier en nu – nog wel als bron gelden? [2] Vragen genoeg dus.

Een bijkomend motief om hier aandacht aan te besteden, is het besef dat zich op dit vlak een accentverschuiving begint voor te doen. Steeds meer dringt zich de noodzaak op van een herbronning die niet enkel meer gericht is op specifieke religieuze instituten, maar op het religieuze leven als zodanig. De omstandigheden van religieus Nederland zijn niet meer die van veertig jaar geleden. Is niet de herbronningsbeweging zelf aan herbronning toe? Deze vragen willen we hier nader verkennen. We doen dat in een korte reeks artikelen.

De stronk van Isaï – een beeld

Op de tweede zondag van de advent horen we in de liturgie lezen uit Jesaja: Een tak ontspruit aan de stronk van Isaï, een twijg ontbloeit aan zijn wortels.(Jesaja 11,1) Het is deze beweging van opnieuw tot leven komen vanuit je wortels, die het wezen vormt van een herbronningsproces. Met volle inzet is hier de afgelopen veertig jaar gestalte aan gegeven. Voor veel religieuzen heeft dit ook als zodanig gewerkt: meer dan in de eerste helft van de twintigste eeuw is men georiënteerd geraakt op het eigen charisma en sterker vanuit die inspiratie gaan leven. In spiritueel opzicht staan door deze processen veel ‘oude takken’ in bloei. Tegelijk moeten we onderkennen dat het aantal ‘oude takken’ snel afneemt en dat er nauwelijks verjongende aanwas is. Er ontspruiten nog maar weinig ‘nieuwe twijgen’ aan de stronk, een hoop die in de jaren zestig en zeventig nog wel bestond. Elke dag sterker dringt zich daardoor ten aanzien van de Nederlandse religieuzen de situatie op die enkele hoofdstukken eerder bij Jesaja geschetst wordt:

Ik zei: ‘Hoe lang, Heer?’ Hij antwoordde:
‘Totdat de steden in puin liggen, geheel ontvolkt, de huizen zonder bewoners zijn
en het bouwland geteisterd is, een woestenij is geworden,
totdat de HEER de mensen ver heeft weggevoerd,
en overal verlatenheid heerst in het land.
En blijft er nog een tiende deel over,
dan is ook dat bestemd om verdelgd te worden,
zoals bij een terebint en eik:
worden die geveld, dan rest slechts een stronk.
Een heilig zaad, die stronk!’ (Jesaja 6,11-13)

Kloosters raken ontvolkt en vallen ten prooi aan projectontwikkelaars of slopershamer. Wat van ons rest is – zelfs nu al bijna – ‘slechts een stronk’. Hoe kan die stronk dienen als een ‘heilig zaad’, zoals Jesaja aan het slot van dit citaat suggereert?

Is ‘het tiende deel’ dat overblijft ook in ons geval bestemd te verdwijnen? Moeten we door een soort nulpunt heen om weer tot nieuw leven te komen? Deze vragen brengen een grondige perspectiefwisseling met zich mee ten aanzien van de uitdaging waarvoor de weg van herbronning ons stelt. Wat begon als een vernieuwingsbeweging krijgt steeds meer de gestalte van een door de dood heen moeten gaan.[3]

Mogen we hierin hoop putten uit een beeld van Job in diens antwoord aan Sofar?

‘Let wel, voor een boom is er hoop:
zelfs omgehouwen kan hij nog uitbotten,
opnieuw in bladeren schieten.
Al worden zijn wortels oud in de grond,
al sterft zijn stronk diep in de bodem,
hij hoeft maar water te ruiken en hij loopt uit,
krijgt weer twijgen als een jonge plant.’ (Job 14,7-9)

Levend water, al konden we er maar aan ruiken… ‘Geef ons van dat levende water!’ (Joh 10,11-15)

Onze bronnen, levend water

Willen we onderzoeken op welke manier die stronk, onze bronnen, voor ons als heilig zaad kunnen fungeren, dan is het goed eerst naar de voorgeschiedenis te kijken.

Het woord herbronning is een nog jong begrip, zowel in het Nederlands als in het Frans. Het is in het Nederlands pas sinds de vijftiger jaren in gebruik. In het Frans, als ressourcement, weliswaar al sinds het begin van de vorige eeuw, maar ook daar pas de laatste 50 jaar in de betekenis zoals wij die nu kennen. Ik zou daarvoor de volgende definitie willen kiezen:

Herbronning is een systematisch bezig zijn met vernieuwing van religieus leven[4] door een actualiserende herbezinning op het (stichtings)charisma van een bepaalde groepering, institutie of beweging.

Vaticanum II heeft hierin als gangmaker gefunctioneerd en levert ons ook meer zicht op het woordgebruik en de bedoeling. Het bouwde daarmee voort op een al eerder door de Nouvelle Théologie in gang gezet proces en de daarbij in zwang geraakte termen.[5] Door de grote invloed van het concilie en van de daaruit voortgekomen documenten, is de opmars van het begrip herbronning echter vooral daaraan gekoppeld.

Een centrale rol speelt het conciliedocument Perfectae Caritatis.[6] In de titel daarvan werd gesproken van accomodata renovatione, aangepaste vernieuwing. Het begrip herbronning komt er niet in voor. In eerste instantie heeft daardoor vooral deze uitdrukking aangepaste vernieuwing, veel meer dan het begrip herbronning, in het alledaagse spraakgebruik ingang gevonden. Toch wordt juist in dat verband al snel ook van herbronning gesproken. Zo schrijft Edward Schillebeeckx in februari 1966 in een commentaar op Perfectae Caritatis het volgende:

Als ‘opperste regel’ van elk kloosterinstituut gelden niet de ‘eigen regel en constituties’ maar de persoon zelf van Christus; de grondslag van het kloosterleven is het bijbelse ‘Christus achterna gaan’, m.a.w. het authentieke evangelisme. Van daaruit moet dan ook het kloosterleven ‘herbrond’ worden. ‘Aanpassing van het klooster­leven’ moet in eerste instantie zijn een her-evangeliseren van al zijn structuren. [7]

Het was in feite het document Perfectae Caritatis zelf dat ervoor zorgde dat de begrippen ‘aangepaste vernieuwing’ en ‘herbronning’ onafscheidelijk zijn, doordat het de aangepaste vernieuwing nadrukkelijk inkleurde als een vernieuwende terugkeer naar de bronnen. Direct na de inleidende paragraaf begint het document namelijk als volgt:

‘De aangepaste vernieuwing van het religieuze leven omvat tegelijk zowel een voortdurende terugkeer naar de bronnen van al het christelijk leven en naar de oorspronkelijke inspiratie van de instellingen, als de aanpassing daarvan aan de gewijzigde omstandigheden.’ (art. 2.)

Aangepaste vernieuwing moest nadrukkelijk gebeuren via een voortdurende terugkeer naar de bronnen. We zouden herbronning dus kunnen beschouwen als de methode waarlangs de vernieuwing van het religieuze leven zou moeten plaatsvinden. Mgr. de Vet, tot 1967 bisschop van Breda, formuleerde dat treffend in een Bisschoppelijke brief Over de aangepaste vernieuwing:

‘Herbronning is dus het werkelijke en enige uitgangspunt en de wijze van werken aan vernieuwing.’ [8]

Herbronning is een kritisch proces

Het zonder meer terugkeren naar oude bronnen in de vorm van een ‘restauratie’ is op geen enkele manier vernieuwend. Terecht worden daar in ‘Wij Religieuzen…’ vragen bij gesteld.[9] Perfectae Caritatis maakt dan ook meteen helder dat dat niet bedoeld wordt, en wel op twee manieren:

In de eerste plaats wordt benadrukt dat het moet gaan om een aanpassende vernieuwing, waarbij deze bronnen opnieuw tegen het licht gehouden worden met het oog op onze tijd, plaats en cultuur. In het boven aangehaalde citaat wordt daarom nadrukkelijk uitgegaan van

‘zowel een voortdurende terugkeer naar de bronnen (…), als de aanpassing daarvan aan de gewijzigde omstandigheden.’(art. 2.)

Ieder tijdperk stelt oude bronnen in een nieuw daglicht en stelt daar nieuwe vragen aan.

In de tweede plaats vestigt het document de aandacht op het feit dat het bij onze bronnen moet gaan om het geheel van de traditie en speciaal de gezonde tradities:

‘Het strekt juist tot welzijn van de Kerk, dat de instellingen hun eigen bijzondere aard en taak bezitten. Daarom dient men de geest en de eigen bedoelingen van de stichters alsook de gezonde tradities getrouw te erkennen en te handhaven. Samen vormt dit alles het erfgoed van iedere instelling.’(art. 2.b)

De nadrukkelijke verwijzing naar gezonde tradities impliceert dat we gevraagd worden daar kritisch naar te kijken. Wat kunnen we in onze situatie, binnen onze hedendaagse religieuze, kerkelijke en culturele kaders nog als gezond beschouwen? Waar is aanpassing nodig en mogelijk en waar moeten we een bepaalde concrete vormgeving van ons religieus leven eventueel geheel overboord zetten?

Tegelijk worden we er hier op attent gemaakt dat het charisma van een orde of congregatie niet iets is dat vanaf het begin tot in de eeuwigheid vastligt. Dan zou de Geest in een keurslijf worden gedwongen. ‘Herbronning’ is vaak misverstaan als zou het daarbij gaan om een terugkeer naar het allereerste begin en naar wat toen aan richting is meegegeven. Ook latere generaties van een religieus instituut – en dus zeker ook de huidige – zijn dragers en vormgevers van het charisma. Zo bezien is herbronning een vernieuwingsproces dat respectvol contact houdt met alles wat er aan goeds is ontstaan vanaf het eerste begin tot en met het hier nu. Dat heeft een aantal consequenties:

  • We kunnen ons dus niet zomaar beroepen op dat wat ooit op een bepaalde manier in gang is gezet. We dragen de verantwoordelijkheid het geheel van onze traditie in ogenschouw te nemen en daar steeds weer nieuwe elementen aan toe te voegen.
  • Ons charisma blijft alleen levend in een vitale wisselwerking met ‘de tekenen van de tijd’. Daarom wordt van ons gevraagd de ons omringende wereld in ogenschouw te nemen. Niet met grootse analyses, maar heel dichtbij en concreet. Waarop voelen we ons bevraagd?
  • Charisma gestalte geven is en blijft ook mensenwerk. Daarin lopen we tegen grenzen op, van onszelf en van elkaar, wij dragen deze schat in aarden potten:
“Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft zijn licht laten schijnen in ons hart om de kennis te laten stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Jezus Christus. Maar wij dragen deze schat in aarden potten, en zo blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons.Van alle kanten worden wij belaagd maar we zitten niet in het nauw; we zijn radeloos maar niet ten einde raad; we worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; neergeveld maar niet gedood.” (II Kor 4,6-9)

‘Neergeveld maar niet gedood…’

Veertig jaar van aanpassende vernieuwing liggen achter ons. Religieus Nederland heeft geprobeerd dit in praktijk te brengen, iets dat soms met meer, soms met minder glans is gelukt. Wat we nu constateren, is dat wat begon als een vernieuwingsbeweging gaandeweg de gestalte krijgt van een door de dood heen moeten gaan. Daar hoeven we niet voor terug te schrikken. Het hoort zelfs bij waarachtig evangelisch leven dat we een plaats incalculeren voor dood en verrijzenis, ook al is dat niet de optiek waarmee we dat proces begonnen. Misschien is de advent, ons toeleven naar kerst, wel een uitgelezen moment om in gebed onze hoop te laten voeden.

‘God van de machten, ach, kom terug, zie toch neer vanuit uw hemel, zorg voor deze wijn­stok, de stek van uw rechterhand, de zoon wie U uw kracht hebt verleend.’ (Ps 80,15-16)

In het volgende nummer vervolgen we deze poging tot herbronning van de herbronning.


  1. Kees Waaijman wijdt er enkele pagina’s aan in zijn handboek Spiritualiteit. Vormen, grondslagen, methoden, Kok / Carmelitana, Kampen / Gent 2000, p. 191-195.
  2. Bob Bodaar osa, Wij Religieuzen... – ‘n uitgangspunt voor verdere discussie, SNPR, Den Bosch, 2001, punt 3.C, p. 4. In dit document zijn gedachten over de toekomst van het religieuze leven gebundeld, die voortkwamen uit een aantal bijeenkomsten van Groep II van de SNPR.
  3. We zijn ons bewust dat er nog een klein aantal gemeenschappen is die van een (redelijke) mate van vitaliteit getuigen. Daar gaan we later dieper op in. Hier gaat het ons om het ‘algemene’ beeld.
  4. Omdat wij ons in het kader van dit project speciaal richten op religieus leven, wordt deze definitie daar ook op toegespitst. OP zich is herbronning echter iets dat veel breder is.
  5. Zie: E. Schillebeeckx O.P., Het Tweede Vaticaans Concilie, in: Reeks Kernen en Facetten5, Lannoo, Tielt/Den Haag 1964, p. 44-45; Overdruk uit: De Bazuin jg. 46 (1962/63) nr. 15 (19-1-1963).
  6. Perfectae Caritatis. Decretum de accomodata renovatione vitae religiosae, Rome 28-10-1965. Tweetalige uitgave: Decreet over de aangepaste vernieuwing van het religieuze leven, Vertaling drs Al. Van Rijen M.S.C. in: Constituties en decreten van het tweede vaticaans concilie, nr. VIII, Katholiek Archief, De Horstink, Amersfoort 21(1966) nr. 1.
  7. E. Schillebeeckx O.P., Het Tweede Vaticaans Concilie, deel II, in: Reeks Kernen en Facetten 10, Lannoo, Tielt/Den Haag 1966, p. 48-49.
  8. Mgr. G.H. de Vet, Over de aangepaste vernieuwing. Bisschoppelijke brief aan de slotzusters van het bisdom Breda, Breda 1966, p. 6.
  9. Zie: ‘Wij Religieuzen…’ Paragraaf 3.C, p. 4.