De Karmel als onderneming

From SPIRIN
Jump to: navigation, search

De Karmel als onderneming

Kees Waaijman




De Karmel als onderneming


Kees Waaijman    1995conference


De Karmel als onderneming

Cel 1 Cel 2 Cel 3
Cel 4 Cel 5 Cel 6


Laatst kreeg ik bij toeval een notitie onder ogen uit het personeelsblad voor managers. De titel trok mijn aandacht. Spiritualiteit stond er boven. Het stuk begon aldus:

In de korte tijd dat ik nu bij Management Consulting werk, heb ik het woord spiritualiteit menig maal horen vallen. Termen als 'spiritueel leiderschap' of 'in onze tak van advieswerk ligt de nadruk op de spirituele component van de mens en zijn of haar functioneren'. Onlangs sprak ik iemand die veel na ruk legde op dit woord. 'Ons bureau kenmerkt zich door het belang dat aan spiritualiteit wordt gehecht', zei hij. Toen ik hem vervolgens vroeg wat dat dan betekende was het antwoord: 'Dat moet je me niet precies vragen, maar het is heel belangrijk ...'. Dat is jammer, want zo verwordt zo'n belangrijk woord al gauw tot een modewoord dat trendy klinkt, maar verder weinig om het lijf heeft. Ik versta het gebruik van dit woord als een poging onder woorden te brengen dat men een andere dan de één-dimensionale benadering van de mens zoekt. Een werknemer of collega is meer dan het produkt dat hij levert en een bedrijf is meer dan alleen een organisatie die winst moet of wil maken.[1]


Tot zover het personeelsblad voor managers. Deze notitie over spiritualiteit binnen het bedrijfsleven staat niet op zichzelf. Er is op dit punt iets gaande binnen het bedrijfsleven, althans als we de literatuur mogen geloven. In 1990 werd wereldwijd een congres georganiseerd met als titel Art meets science and spirituality in a changing economy. Aan dit project, dat tot het jaar 2000 duurt en gesponsored wordt door 21 grote bedrijven en door WVC, nemen enkele duizenden managers deel. In Tilburg werd in 1992 een druk bezocht symposium gehouden met als titel Wat bezielt het ondernemen? De ondertitel luidde: Over kwaliteit en spiritualiteit in het bedrijfsleven. Speling, tijdschrift voor spiritualiteit, wijdde in 1993 een speciaalnummer aan Ondernemerschap en spiritualiteit . In deze bijdrage steunen wij wat de bedrijfsspiritualiteit betreft voornamelijk op de gegevens die in dit speciaalnummer bijeengebracht zijn. Trouwens, deze bedrijfsspiritualiteit is geen geïsoleerd verschijnsel. Zij gaat gelijk op met een groeiende aandacht voor bedrijfsethiek, op verschillende universiteiten en HBO-instellingen inmiddels een normaal vak. De belangen van de bedrijfsethiek worden op europees niveau behartigd door de European Business Ethics Network (1987). Voor Nederland is er de Stichting Netwerk Bedrijfsethiek Nederland (1990). Uit enquêtes blijkt dat 87% van de ondernemers bedrijfsethiek belangrijk vindt voor hun onderneming.


Wat zijn nu de belangrijkste kenmerken van een bedrijfsspiritualiteit? Doorgaans worden vijf punten genoemd die het spiritueel gehalte van een onderneming profileren.

  • Allereerst: een deugdelijke bedrijfscode, waarin de doelstelling en de centrale waarden van een onderneming worden geformuleerd en waarin strategieën en gedragsregels worden vastgelegd.
  • Vervolgens: aandacht voor de kwaliteit van het produkt en het nemen van adequate maatregelen om deze kwaliteit intern te toetsen en te bewaken.
  • Op de derde plaats: aandacht voor de mens in het bedrijf: waardering voor de persoon van de medewerker en zorg voor de onderlinge verhoudingen.
  • Ten vierde: de maatschappelijke instelling van een bedrijf: sluit de onderneming zich naar binnen toe af, of levert ze een bijdrage aan het algemeen belang?
  • Tenslotte: verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het leefmilieu.


Het lijkt mij interessant op dit symposium bedrijfsspiritualiteit te vergelijken met de Karmel als onderneming. De Karmel is immers behalve een instelling die spiritualiteit beoogt, ook een onderneming.


De Karmel bestaat zo'n 800 jaar en telt op dit moment 50.000 medewerksters en medewerkers, verspreid over alle werelddelen. De onderneming is opgebouwd uit meerdere filialen, die zich wel allemaal aan dezelfde bedrijfscode houden, maar verder een eigen organisatie vormen. De Aalsmeerse karmel hoort bij het filiaal O.Carm. met ongeveer 2500 medewerkers. Op dit moment is het hoogste beleidsorgaan van dit filiaal – het Generaal Kapittel - in Sassone bijeen om een nieuw bestuur te kiezen en enkele gedragsregels vast te stellen.


Wat ziet de Karmel wanneer zij in de spiegel kijkt van de bedrijfsspiritualiteit en omgekeerd: wat ziet het bedrijfsleven wanneer het in de spiegel kijkt van de Karmelonderneming? Hoe wordt er in de Karmel naar de kwaliteit van het produkt gekeken? Hoe kijkt ze naar haar mensen? Wat voor soort bedrijvigheid ontwikkelt zij? En omgekeerd: wat kan een bedrijfsspiritualiteit leren van zo'n oud spiritualiteitsbedrijf als de Karmel is? Ik vat dus het bedrijfsleven op naar zijn spirituele mogelijkheden - vanuit de Karmel gezien zijn dat zijn beste mogelijkheden! En de Karmel vat ik op naar haar bedrijfsmatige kant - misschien voor haar wel een overlevingskans!


1. De bedrijfscode


Het eerste punt waaraan een bedrijf kan nagaan of het iets met spiritualiteit van doen heeft, is de vraag: hebben we een deugdelijke bedrijfscode? Een bedrijfscode is een ondernemingsfilosofie waarin het credo van het bedrijf is vastgelegd. Dit credo bevat doorgaans vier elementen: het doel van de organisatie, de centrale waarden van de onderneming, de strategie waarlangs het doel wordt nagestreefd en de voornaamste gedragsregels waaraan men zich binnen het bedrijf en naar buiten toe dient te houden. Uit onderzoek is gebleken dat in Amerika 85% van alle bedrijven zo’n bedrijfscode heeft. In Nederland ligt het percentage beduidend lager. Slechts 22% van alle bedrijven heeft een ondernemingsfilosofie op schrift gesteld. Onder hen bevinden zich acht van de tien grootste ondernemingen. Ik weet niet hoe hoog het percentage in Aalsmeer ligt.


De Karmelonderneming heeft een bedrijfscode die bijna acht eeuwen oud is.[2] Hij werd rond 1210 op schrift gesteld door Albertus, patriarch van Jeruzalem. De code is gering van omvang. Hij kan op ongeveer drie A4-tjes. Het doel van de organisatie is: dat ieder geheel en al bekleed wordt met Gods kracht. Die kracht van God omvat de volgende centrale waarden: integriteit, gerechtigheid in liefde, vertrouwen, hoop en spreken vanuit het hart. De strategie die aangegeven wordt om dit doel en deze waarden te bereiken, is: op alle mogelijke manieren het egocentrisme openbreken, jezelf naar buiten toe buigen, zodat je niet dichtgroeit rond jezelf; stil en leeg worden, om zo ontvankelijk te worden voor de Ander. De concrete gedragsregels worden door onderling overleg van tijd tot tijd vastgesteld. Zoals ik reeds zei: op dit moment is het Generaal Kapittel bijeen om de gedragsregels voor de komende jaren vast te stellen.


Ik denk dat het hebben van een bedrijfscode een teken van spiritualiteit is. Een onderneming legt daarmee immers haar doelstelling en waardensysteem vast. Daaraan kan ze werken. Daaraan kan ze zichzelf toetsen.


Daaraan kunnen anderen haar herinneren. De ondernemingen in Nederland zouden groeien in spiritualiteit wanneer zij op dit punt hun Amerikaanse collega's zouden volgen door de doelstelling en de centrale waarden vast te leggen en door aan te geven langs welke weg ze deze willen bereiken.


2. De kwaliteit van het produkt


Een tweede punt waaraan een onderneming haar spiritualiteit kan toetsen, is: kijken naar het geleverde produkt of de bewezen dienst, of liever: naar de kwaliteit ervan. Want het is logisch dat een bedrijf produkten of diensten levert. Maar het spiritueel gehalte zit hem nu juist in de kwaliteit ervan. De nadruk op kwaliteit is iets van de laatste vijftien jaar. De tachtiger jaren draaiden om de integrale kwaliteitszorg. De negentiger jaren staan in het teken van Quality Management. Hiermee wordt bedoeld dat het produkt meer moet zijn dan zijn strikt economische waarde. In het produkt moeten waarden verdisconteerd zijn als: maatschappelijk belang, milieu, gezondheidszorg, dienstbaarheid, enzovoort. Ook ethische waarden als recht, billijkheid, betrouwbaarheid moeten in het produkt verwerkt zijn, niet enkel in de verpakking. Het is spiritueel een groot goed dat kwaliteit als norm voor een produkt geldt, de kwantiteit ingesloten. Het is misschien een nog groter goed, dat deze kwaliteit van twee kanten ook metterdaad wordt bewaakt. Allereerst door de kwaliteitszorgsystemen binnen de onderneming zelf, die erop toezien dat de geleverde produkten en diensten in overeenstemming zijn met de gewekte verwachtingen. Maar zeker zo belangrijk is dat de kwaliteit van buiten af wordt bewaakt door de consumentenorganisaties, die in aantal en kwaliteit toenemen.


Wat is het produkt dat de karmelonderneming levert of welke diensten bewijst zij? En hoe wordt de kwaliteit ervan bewaakt? Het belangrijkste produkt dat de Karmel levert is contemplatie, beschouwing. Contemplatie is een levenshouding die erop gericht is niet verstrikt te raken in oppervlakkigheden. Het is de kunst door de schone schijn heen te kijken, om te achterhalen waar het wezenlijk om gaat. De belangrijkste dienst die de Karmel te leveren heeft is: deze contemplatieve levenshouding bij anderen wekken en ontwikkelen. Dus niet: anderen vertellen wat ik al contemplerend heb ontdekt, maar hen leren zélf te gaan ontdekken wat wezenlijk is. Zoals je op een universiteit geen weetjes opdoet, maar leert hoe je zélf iets aan de weet kunt komen.


Ik denk dat contemplatie nog steeds een uitstekend produkt is en dat velen zo'n houding zouden willen aanleren. De vraag is: Hoe staat het met de kwaliteit van dit produkt? Heeft de Karmel een goed kwaliteitszorgsysteem? Ik vind van niet. Iedereen kan zich naar eigen goeddunken meester maken van het produkt. Iedereen kan, niet gehinderd door enige kennis, aan het beunhazen slaan. En wat nog erger is: er is geen doelmatige feed-back van buiten af. Daardoor kan de Karmel intern weliswaar haar produkt aanprijzen, maar buiten de eigen kring zijn er allang geen klanten meer. Intussen liggen de schappen bij andere ondernemingen vol met contemplatie die moet worden ingevoerd uit het verre oosten. Bedrijfsmatig gezien lijkt het me van het grootste belang dat de Karmel van buiten af naar haar produkt laat kijken, zoals dat vandaag op dit symposium gebeurt.


3. De mens als bron van de onderneming


Een produkt wordt binnen een onderneming gemaakt door samenwerkende mensen. Deze menselijke kant van de onderneming vormt het derde ijkpunt voor een bedrijfsspiritualiteit. Met een deftig en natuurlijk weer Amerikaans woord noemt men dat Human Resources Management. In gewoon Hollands: aandacht voor de méns als bron van de onderneming. Ik tekende uit de literatuur de volgende punten op:

  • de medewerkers behandelen als zelfstandige, mondige, gelijkwaardige partners;
  • waardering voor hun kennen en kunnen en voor hun staat van dienst;
  • verantwoordelijkheid en handelingsvrijheid geven binnen de directe werksituatie;
  • zorgen voor een goede sfeer, goede werkverhoudingen, goede besluitvormingsprocedures, waardoor mensen gemotiveerd worden echt deel te nemen aan de onderneming en er van binnen uit bij betrokken te raken;
  • groeikansen scheppen voor de individuele werknemer, met oog voor diens creativiteit en zelfexpressie;
  • bedrijfsveiligheid optimaliseren;
  • last but not least: zorgen voor continuïering van de onderneming, wat betreft produktie, klantenkring en medewerkers, met het oog op de bestaanszekerheid van de medewerkers.


De Karmel telt ongeveer 50.000 medewerksters en medewerkers, verspreid over de hele wereld. Het filiaal waar de Aalsmeerse Karmel toe behoort, telt ongeveer 2500 leden. In Nederland werken mannen en vrouwen samen. Een nieuwe twijg aan de onderneming is de Karmelbeweging, een lekenbeweging met enkele tientallen leden. De bedrijfscode van de Karmel is vrij helder over de verhouding tussen de afzonderlijke personen en de onderneming als geheel. Vuistregel is: de personen zetten zichzelf en hun talenten in voor de gemeenschap, en omgekeerd: de gemeenschap let op de afzonderlijke personen, op hun leeftijd en hun behoeften. Deze filosofie ligt ook uitgedrukt in de ruimtelijke ordening. Ieder heeft een eigen afzonderlijke leefruimte, maar op gezette tijden verlaat ieder die leefruimte om de gemeenschap op te bouwen: in gebed, gezamenlijke maaltijd, recreatie, samenwerking en bezinning. Deze filosofie ligt ook uitgedrukt in de overlegstructuur. Tijdens het wekelijks kapittel moet gelijkelijk worden gekeken naar het heil van ieder en naar het belang van allen. De grondstructuur is dus duidelijk. Ieder zet zichzelf in voor het geheel en het geheel heeft aandacht voor iedere persoon.


In de praktijk zien we nogal eens het tegendeel: de gemeenschap let niet op de personen, maar op haar eigen belang, en de personen zetten zich niet in voor het geheel, maar ieder zoekt zijn eigen heil. Dat kan echter nooit lang duren, want op die manier verteert de onderneming zichzelf. Het wonder van Kana verkeert in zijn tegendeel: wijn wordt veranderd in water. Daar komt nog bij dat in onze tijd het religieus leven, inclusief de Karmel, failliet dreigt te gaan door gebrek aan nieuwe medewerkers. De continuering van de onderneming, en daarmee de bestaanszekerheid van veel van haar medewerkers, komt in gevaar. Ik denk dat de Karmel veel zou kunnen leren van het bedrijfsleven: niet werkeloos toezien bij dreigend faillisement, een efficiënte strategie ontwikkelen met het oog op recrutering; nog zorgvuldiger omgaan met het aanwezige talent van de medewerkers; investeren in opleiding en vorming, de klantenkring mobiliseren en scherper letten op de bewegingen van de markt.


4. Maatschappelijke betrokkenheid


Een vierde punt waaraan een onderneming haar spiritualiteitsgehalte kan afmeten, is: haar maatschappelijke instelling. Het bedrijfsleven vormt een belangrijke factor in de samenleving. De laatste jaren is zijn invloed gegroeid en het ontvangt meer waardering. Ondernemingen hebben echter de neiging zich af te sluiten en een eiland op zich te vormen. Het wordt als een teken van spiritualiteit gezien dat bedrijven zich maatschappelijk opstellen. Men noemt dat sociaal ondernemerschap. Dit houdt in, dat de onderneming bij haar produktie van goederen en diensten de maatschappelijke prioriteiten en randvoorwaarden in acht neemt, in haar beleid nadrukkelijk oog heeft voor maatschappelijke vraagstukken en haar bijdrage levert aan de vormgeving van het algemeen welzijn. Men heeft dit de 'participatieve spiritualiteit van het ondernemen' genoemd,[3]in gewoon Hollands: bedrijven nemen deel aan de vormgeving van het algemeen welzijn.


De Karmelorde is vanaf haar oorsprong getekend door een oriëntatie op de maatschappij, met name op de minderen: de minder draagkrachtigen, de minder socialen, de minder geslaagden. De Karmel is ontstaan tijdens de opkomst van de stadscultuur in de elfde en twaalfde eeuw. Deze opkomst ging gepaard met de groei van handel en nijverheid. De steden ontwikkelden een sfeer van vrijheid: stadslucht maakt vrij. De opkomst van de stadscultuur betekende een emancipatie uit de feodale verhoudingen. Tegelijkertijd ontstond er echter een nieuwe hiërarchie: de hogere stand, de middenstand en de lagere stand. De Karmelieten kozen als bedelbroeders voor de minderen, voor de lagere klasse, de zogenaamde minores. Vandaar die gevoeligheid voor de minder draagkrachtigen, de minder validen, de minder getalenteerden. Of het nu gaat om een school of een parochie, om maatschappelijke inzet of missiewerk, om wetenschap of kerkopbouw, iets in het geweten van de Karmeliet blijft onrustig knagen en fluistert voortdurend: 'Wat je voor een van de minsten hebt gedaan, dat heb je voor Mij gedaan'. De voorkeursoptie voor de minderen hoort vanaf de oorsprong bij de Karmel.


Een lastige en gevaarlijke herinnering! Lastig, omdat in de praktijk de Karmel een onderneming is die net als het bedrijfsleven geneigd is zich af te sluiten voor de maatschappij. Ze is geneigd een eiland op zich te vormen. Gevaarlijke herinnering, omdat solidariteit met de minderen je gaandeweg berooft van je veilige positie. Je wordt uit het centrum van je veiligheid losgeweekt: door de rechtmatige eisen van de Derde Wereld, door de aanklacht van werkeloos gemaakten, door de tweedeling van de maatschappij. Een gevaarlijke herinnering dus, maar ook een gelukkige herinnering, want ze hoort bij onze geboorte zelf. Ze vormt een van de bestaansgronden van de Karmel.


5. De kwaliteit van het leefmilieu


Een vijfde punt waaraan een onderneming haar spiritualiteitsgehalte kan afmeten, is de kwaliteit van het leefmilieu. Het bedrijfsleven legt, hoe je het ook wendt of keert, een druk op het milieu: door het gebruik van grondstoffen, door de vervuiling tijdens de produktie en door de afval bij de consumptie. Ik hoef hierover niet in detail te treden.


Van twee kanten wordt gelukkig tegendruk uitgeoefend op het bedrijfsleven om het milieu te ontzien. Soms komt de tegendruk van binnen uit. Dan worden bedrijven zich van binnen uit bewust van hun verantwoordelijkheid. Zo schonk BSO/Origin in zijn jaarverslag van 1990 veel aandacht aan de verhouding economie-ecologie. KUNERT AG gaf een speciaal ekobericht uit met betrekking tot de milieucomponenten van het bedrijf: water, lucht, energie, bodem. Belangrijker is de tegendruk van buiten af: milieuorganisaties stellen lijsten van milieuvriendelijke en milieuvijandige produkten samen: de Green Consumer Guide en Shopping for a better world in de Engelstalige wereld, Der Blaue Engel in Duitsland. Deze lijsten werken!


Karmel betekent oorspronkelijk: boomgaard, tuin.[4] Bekendis het visioen van de profeet Jesaja:

Dan wordt een geest
uit den hoge over ons uitgestort,
de woestijn wordt een karmel,
de karmel lijkt wel een woud.
Dan woont het recht in de woestijn
en gerechtigheid op de karmel (Jes.32:15-16).


Het Karmelgebergte stond bekend om zijn vruchtbare wijngaarden. Een gevleugeld woord onder de eerste generaties karmelieten moet geweest zijn het woord van de profeet Jeremia: 'Ik heb jullie gebracht naar het land van de Karmel. Ik liet jullie genieten van zijn heerlijke vruchten' (Jer.2:7).


Voor de eerste karmelieten was de Karmel de plaats om God te ontmoeten. De profeet Elia had er in Gods aanwezigheid geleefd. En na hem hadden talloze mensen in de eenzaamheid van het gebergte naar Gods aanwezigheid gezocht. Dat was het doel van de eerste karmelieten: in de eenzaamheid van het Karmelgebergte zoeken naar de Levende voor wiens Gelaat wij allen staan. Ook toen de karmelieten na 50 jaar van het Karmelgebergte verdreven werden en gedwongen werden terug te keren naar Europa, bleven ze geboeid door de Karmel als plaats van God. Een blinde broeder uit Frankrijk, een begenadigd mysticus, zei eens: 'We moeten van iedere plaats waar we wonen een Karmel maken'. De plaats waar we wonen moet een plaats van God worden: een Karmel! Niet voor niets besteedt de Regel zes hoofdstukken aan de plaats (II-VI en X). De plaats met een klein p moet een Plaats met een grote P worden. Het thema van het Generaal Kapittel dat reeds eerder werd genoemd, heeft als motto: de Karmel, een plaats en een reis. De Karmel is geen milieuorganisatie. En ze kan het bedrijfsleven dus niet adviseren in milieukwesties. Maar ze is wel zeer gevoelig voor de factor plaats. We spreken dan ook van de Aalsmeerse Karmel, de Nijmeegse Karmel, de Karmel van Boxmeer. Karmels zijn plaatsen. De plaats waar we wonen is zeer belangrijk: ze wil een heilige plaats worden. Daarom is 75 jaar Aalsmeerse Karmel ook meer dan een jubileum. Het is een bezinning op de grondslag zelf van de Karmel. Is Aalsmeer echt een Karmel aan het worden? Is deze plaats iets meer een plaats aan het worden waar het Geheim de kans krijgt?


We hebben vijf factoren die van belang zijn voor een bedrijfsspiritualiteit naar voren gehaald: een deugdelijke bedrijfscode, de kwaliteit van het produkt, de mens in het bedrijf, de maatschappelijke gerichtheid en de zorg voor het milieu. We hebben vanuit deze bedrijfsspiritualiteit gekeken naar de Karmel en omgekeerd: vanuit de Karmel gekeken naar het bedrijfsleven. De vraag was: Hebben we elkaar iets te zeggen? Kunnen we iets van elkaar leren? U begrijpt, meer dan een eerste aanzet kon het niet zijn. Bij een feestelijke gelegenheid als deze past trouwens een speelse onbevangenheid.


6. En de winst?


Eén punt heb ik tot nu toe zorgvuldig vermeden, een punt dat door de meesten gezien wordt als het springende punt. Dat is het punt van de winst. De meeste spiritualiteitsgeleerden vinden dat spiritualiteit en winst onverzoenlijke grootheden zijn. Ik ben het daar niet mee eens. Winst zie ik als een teken van spiritualiteit, als je maar scherp formuleert wat winst is.


De gangbare spiritualiteitsmening luidt: 'In de context van het bedrijfsleven zou spiritualiteit ten enenmale niet samen kunnen gaan met het winststreven. Dat zou van meet af aan een bezoedeling zijn'.[5] Ook de ondernemers zelf voelen een onoverbrugbare kloof tussen winst en spiritualiteit. Een ondernemer op het symposium in Tilburg zei: 'We zijn tegenwoordig heel spiritueel, maar er moet natuurlijk winst zijn'.[6] Alsof beide tegengesteld zijn aan elkaar.


Bij winst, het hart van de onderneming, gaat het om een meerwaarde. Door vernuft, werkkracht, doelmatigheid en onderlinge samenwerking wordt aan een bepaalde grondstof zoveel toegevoegd dat deze aan het einde van het arbeidsproces meer waard is. Ik bedoel niet: meer géld waard is, maar meer waarde heeft gekregen. Er is ten aanzien van de beginsituatie sprake van een meer, een surplus, een veredeling. Deze toename, deze opbrengst is gewonnen op de materie. De materie is overstegen: een klompje metaal is een lepel, een zaadje is een mooie bloem geworden. Winst is een overwinning op de materie. Daarom zegt Jan Peters terecht over bedrijfsspiritualiteit: 'Het overstijgen van het materialisme lijkt me tot de kern te behoren van deze spiritualiteit'.[7]


Ik denk dat het probleem van een bedrijfsspiritualiteit niet in de winst als zodanig zit. Winst betekent: een meer ten opzichte van de uitgangssituatie. Dat is spiritueel bij uitstek. Bovendien zijn met winst allerlei spirituele zaken verbonden als: inzet, risico nemen, doelmatig werken, kanalisering van ambitie en fantasie, werken met zo weinig mogelijk verspilling van grondstoffen en werkkracht, zichzelf durven beoordelen op resultaat, zichzelf en anderen in het levensonderhoud voorzien. De problemen ontstaan pas, als ik geen bevredigend antwoord kan geven op vragen als: Waaruit bestaat precies de winst? Wat hebben we precies gewonnen? Waarmee en waarop werd die winst gehaald? Wat doen we met de winst? Niet de winst als zodanig is een spiritueel probleem maar de steeds weer concrete vraag: Was het wérkelijk winst? Of was het diefstal? Diefstal op het milieu, diefstal op de komende generaties, diefstal op de arbeiders, diefstal op de samenleving, diefstal op de derde wereld? Was het echt wínst? Hadden we dit produkt wel moeten winnen? Hadden we deze meerwaarde wel moeten realiseren? En waarom drukken we onze winst eigenlijk alleen uit in geld? Is er niet meer winst geboekt dan in de boeken staat? Hebben we misschien elkaar gewonnen: kameraadschap, collegialiteit?


En de Karmel, wat ziet de Karmelonderneming als winst? Hoe komt die tot stand? Waar wordt die op gewonnen? En ten koste van wie? Hoe maak je winst bij de Karmel? Ik wil u een gedicht voorlezen van een karmelites. U zult als bloemenminnende mensen zeker de tekst verstaan. Of u hem ook kunt waarderen weet ik niet. Zij schrijft:

Op jouw altaar, Heer, staan
mooie verse rozen te stralen,
zij geven zich aan Jou.
Maar ik droom van iets anders:
mijzelf ontbladeren.
Schitterende rozen luisteren jouw feest op,
maar de roos die zich ontbladert,
vergeet men, ze wordt meegenomen
door de grillige bewegingen van de wind.
De roos die zich ontbladert,
geeft zich zonder berekening
om niet meer te zijn.
Men loopt onbezorgd over de rozenblaren,
deze afval is een versiering
die men achteloos uitstrooit.
Ik heb het begrepen:
voor jouw liefde heb ik mijn leven
en mijn toekomst geofferd.
In de ogen van stervelingen moet ik sterven,
Voor Jou moet ik sterven, opperste Schoonheid,
wat een geluk!
Door mijzelf te ontbladeren
wil ik bewijzen dat ik Jou bemin
met heel mijn hart.[8]


Deze tekst is van Theresia van Lisieux. De kleine Trees ziet zichzelf als een roos die zich ontbladert: beeld van iemand die zichzelf wegschenkt zonder berekening, meegenomen door de beweging zelf van de liefde. Zichzelf prijsgeven zonder berekening. Geven dat verborgen is in de beweging zelf van de zelfgave. Zichzelf wegschenken in liefde en in deze liefde verloren gaan. Geen eigen toekomst, maar gevonden worden in de toekomst van de Ander. Sterven in de ogen van de stervelingen, maar verrijzen in de ogen van de Levende.


Theresia van Lisieux verwoordt kernachtig het karmelitaans winstprinciep: zichzelf wegschenken en daarin zozeer opgaan, dat ik slechts gewonnen word in het leven van de Ander. De jood Léon Blum, gestorven in de gaskamers van de nazi's, schreef op een stukje papier kort vóór zijn dood: 'We werken in deze tijd, maar niet voor deze tijd'. De Karmelregel zegt hetzelfde. In de slotzin staat: 'Wanneer iemand meer gegeven zal hebben, zal de Heer zelf het hem vergoeden bij zijn terugkomst'. Meer-geven als enige winst. Winst door alleen maar te investeren. Niet werken voor deze tijd, voor het applaus van de tijdgenoten, maar zichzelf wegschenken, verborgen in de beweging van de zelfgave zelf. Zoals Titus Brandsma die zichzelf uit handen gaf, zijn hele leven lang - maar verborgen in deze zelfgave door de Levende gevonden werd.


Theresia van Lisieux spreekt niet laatdunkend over de verse rozen: ze staan op het altaar van de Heer – en Theresia was een gelovige vrouw - ze staan op Zijn altaar te stralen, voor dezelfde Heer aan wie zij zichzelf wegschenkt. De verse, stralende rozen luisteren Zijn feest op - en Theresia hield van feesten - het feest van dezelfde Heer die zij beminde. Het zijn dezelfde rozen voor dezelfde Heer. Ze spelen enkel een verschillende rol. Het is alsof de kleine Trees wil zeggen: 'Laat de bedrijvigheid van de ondernemende mens als een frisse roos zijn die in haar schittering haar Schepper prijst. Laat de bedrijvigheid van de Karmelmens echter een roos zijn die zich ontbladert in liefde, om in haar verborgenheid haar Verlosser te ontroeren'. Twee stemmen in één koor: de stralende roos en de zich ontbladerende roos. Bedenk wel: deze twee rozen wonen èn en buíten het klooster. U moet de rolverdeling dus niet lokaal opvatten. Het is niet zo dat de frisse rozen buiten het klooster staan te geuren en de zich ontbladerende rozen binnen het klooster staan te verteren. Er wonen vele kleine Trezen buiten de Karmelmuren: Karmelmensen die zich ongezien en ongeweten wegschenken. En binnen de muren wonen veel bedrijvige baasjes die zich de kaas niet van het brood laten eten. Ze staan graag op het altaar en laten zich liever niet ontbladeren. Het gaat om twee manieren van werken en winst maken. Ze leven in ieder van ons. Beide zijn goed, maar beide zijn niet even karmelitaans. Echt karmelitaans werken en winst maken is ons voorbeeldig voorgeleefd en uitgelegd door de apostel Paulus. De Karmelregel stelt hem uitdrukkelijk ten voorbeeld. Paulus zegt:

Wat voor mij winst was
ben ik om Christus' wil als verlies gaan zien.
Ja sterker nog, ik beschouw alles als verlies,
vergeleken bij de alles overtreffende kennis
van Jezus Christus, mijn Heer.
Om zijnentwil heb ik alles prijsgegeven.
Ik beschouw het als vuilnis als ik Christus maar mag winnen
en door God in hem gevonden worden (Phil. 3:7-9).


Paulus wil sterven met Christus, zichzelf prijsgeven met Christus, om zo één te zijn met hem. Met Christus sterven is: hem kennen en door hem gekend worden. Eén met Christus in de dood van de zelfgave hoopt hij in hem door God gevonden te worden. Dit is het winstprinciep van de kleine Trees: zonder terughoudendheid opgaan in de liefde, om opgevangen te worden door Gods liefde. Alle andere winst is daarbij vergeleken verlies. Zelfverlies omwille van de Ander als enige winst. In de liefdesdood door God gevonden worden, dat is het winstoogmerk van de Karmel.


Ondernemend Aalsmeer en de Karmelonderneming zullen nooit in elkaar opgaan. Hoe geseculariseerd de karmelieten zich ook gedragen, het zal hun nooit lukken een winstgevend bedrijf te worden, daarvoor wordt te roekeloos geïnvesteerd en de winst laat veel te lang op zich wachten. En hoe spiritueel het bedrijfsleven ook wordt - ik hoop er vurig op - het zal altijd met zijn verse bloemen willen stralen en haar kwaliteit willen aanprijzen - een mooi loflied op de schepping, maar geen echt karmelitaans teken. Dat hoeft ook niet. Ieder zijn rol.


De Karmel en Aalsmeer zullen nooit in elkaar opgaan. Daarvoor zijn ze te verschillend. Gelukkig. Ze kunnen wel meer bij elkaar gaan horen, meer van elkaar gaan leren, zich meer in elkaar gaan spiegelen, want beide zijn een onderneming en beide willen iets met spiritualiteit.


Méér bij elkaar gaan horen, door meer bij elkaar te gaan hóren - dat is het wat ik Aalsmeer en de Karmel van harte toewens.



  1. J.Smit, Spiritualiteit, in: Intermezzo 6 (1994) nr.7.
  2. Voor een uitleg van de Karmelregel zie: Kees Waaijman,De mystieke ruimte van de Karmel, Kampen 1995.
  3. H. van Luijk, Markt, ethiek en spiritualiteit, in: Speling 45 (1993) nr.4, 18-19.
  4. Theologisches Wörterbuch zum Alten Testament IV, 340-351.
  5. F.Maas - G.van Tillo, Spiritualiteit in dienst genomen door het bedrijfsleven, in: Speling 45 (1993) nr.4, 58.
  6. C.Teulings, Het is niet zo gemakkelijk- verslag van een interne dialoog, in:Speling 45 (1993) nr.4, 37.
  7. J.Peters, Spiritualiteit bij ondernemers - een persoonlijke peiling, in: Speling 45 (1993) nr.4, 53.
  8. Theresia van Lisieux,Ik geloofde in Gods liefde, Gent z.j., 608-609.