‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’

From SPIRIN
Jump to: navigation, search
Gestalten van roeping in de Schrift
Karmelitaanse Spiritualiteit in Beweging
Project Religieus Leven
Jakob en de Engel.origineel.jpg

‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’
Inleiding rond Mc 8,27-38, over identiteit en volgeling zijn
Pierre Humblet




‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’
Inleiding rond Mc 8,27-38, over identiteit en volgeling zijn

Pierre Humblet    2009Published


Inleiding rond Mc 8,27-38, over identiteit en volgeling zijn, gehouden voor de leden van Karmelbeweging op 27 maart 2009.

Tijdens onze vorige Karmelbewegingdag is afgesproken dat we dit weekend zouden stilstaan bij onze identiteit. Daarover nadenkend kwamen we al snel uit bij de woorden uit het Marcusevangelie die ons dit weekend zullen leiden. Marcus vertelt ons het volgende:

[27] Jezus vertrok met zijn leerlingen naar de dorpen in de buurt van Caesarea Filippi. Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ [28] Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, en anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat u een van de profeten bent.’ [29] Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’ [30] Hij verbood hun op strenge toon om met iemand hierover te spreken. [31] Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen zou worden, en dat hij gedood zou worden, maar drie dagen later zou opstaan; [32] hij sprak hierover in alle openheid. Toen nam Petrus hem apart en begon hem fel terecht te wijzen. [33] Maar hij draaide zich om, keek zijn leerlingen aan en wees Petrus streng terecht met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’ [34] Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen. [35] Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het behouden. [36] Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet? [37] Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven? [38] Wie zich tegenover de trouweloze en zondige mensen van deze tijd schaamt voor mij en mijn woorden, zal merken dat de Mensenzoon zich ook voor hem schaamt, wanneer hij komt in het gezelschap van de heilige engelen en bekleed met de stralende luister van zijn Vader.’ (Marcus 8,27-38)

Op een speciale manier is in deze Marcus-tekst een worsteling met de identiteit van Jezus aan de orde. Hij vraagt aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ (Mc 8,27) en even later: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ (8,29)

Wat dan opvalt is dat de leerlingen meteen beseffen dat hij niet doelt op identificatiegegevens zoals wij die nu in ons paspoort hebben staan. Zoiets als: 'Jezus, zoon van Maria en Jozef, geboren in Bethlehem en voor het laatst woonachtig in Nazareth. Sindsdien rondtrekkend door het land zonder vaste woon- of verblijfplaats' . Nee, meteen wordt begrepen dat hier zijn betekenis aan de orde is.

Eigenlijk geldt dat voor het hele Marcus-evangelie. Het probeert de leerlingen inzichtelijk te maken wie deze Jezus nu eigenlijk was of is, vooral in het opzicht van zijn betekenis en zijn relatie tot ons. Een vraag die tot op de dag van vandaag actueel is.

Mozaïek Jezus Christus in de Aya Sofia

Volgende week is het al weer Palmzondag. Dan gaan we de Goede week binnen, met eerst een intocht in Jerusalem die trekken van een triomftocht vertoont en met verwijzingen naar het komende vernieuwde koninkrijk van David (Mc 11,1-11). Daarna volgt al snel het laatste avondmaal (Mc 14) en binnen 24 uur zijn terechtstelling aan het kruis (Mc 15), met tot slot zijn opwekking en verschijning aan de leerlingen (Mc 16).

In ijltempo snellen zodoende allerlei beelden van Jezus, allerlei identiteiten, aan ons voorbij: Zoon van David, Koning en Messias, tafelgenoot en leraar, vernederde en mislukkeling, lijdende, dode en opgestane...

Zoveel verschillende beelden die allemaal – met al hun tegenstrijdigheden – ook wáár zijn. Zoveel beelden ook dat Hij wel aan onze greep moet ontsnappen. Misschien is dat ook wel juist de bedoeling. Dat doet me denken aan de afbeelding hiernaast (een mozaïek uit de Aya-Sofia in Istanbul), waarvan het middengedeelte staat afgebeeld op de kaft van ons boekje.

Jezus is daar afgebeeld als "Pantocrator", als heerser over het heelal. Naast Hem staan Maria en Johannes de Doper. Een heel bepaald beeld en misschien is het feit dat het zwaar beschadigd is wel een mooi symbool voor het gegeven dat ieder beeld mank gaat als het geen aanvulling vanuit andere perspectieven krijgt.

Het Marcus-evangelie is één groot (nou ja, niet echt groot, ruim 11000 woorden telt het maar; het is in één uur voor te lezen) verhaal over de identiteit van Jezus, waarbij geen enkel aspect, ook niet Zijn dood of Zijn opstanding, onderbelicht mag blijven.

Toch is die dood en opstanding niet waar het verhaal van Marcus mee eindigt. Uiteindelijk gaat het in deze oude tekst om ons, om jou en mij. Het slot in Mc 16 luidt:

[19] Nadat de Heer Jezus hun dit gezegd had, werd Hij in de hemel opgenomen en nam Hij plaats aan de rechterhand van God. [20] Zij trokken eropuit om overal de boodschap uit te dragen, terwijl de Heer meewerkte en het woord kracht bijzette door de begeleidende tekenen.

De laatste zin is er een die beweging centraal stelt: "Zij trokken eropuit". Een beweging van bewogen mensen. Het verhaal van de identiteit van Jezus eindigt bij de Beweging van zijn leerlingen, de Beweging waarmee Hij meewerkt en meetrekt.

Op de helft van dat identiteitsverhaal staat in Mc 8 de tekst die dit weekend ons startpunt is. En ook daar valt meteen die beweging op. Op dat moment nog met Zijn fysieke aanwezigheid: "Jezus vertrok met zijn leerlingen..." en "Onderweg vroeg hij..." (Mc 8,27)

Karmelregel § 2

Veelvuldig en op velerlei wijzen
hebben de heilige Vaders ingesteld,
hoe ieder, tot welke orde hij ook behoort
of welke religieuze leefwijze hij ook gekozen heeft,
in horigheid aan Jezus Christus moet leven
en zich aan hem trouw moet verknechten
vanuit een zuiver hart en een goed geweten.'

De uiteindelijke verrassing zit in de omvorming van het perspectief van de vraag: wat begint rond "wie ben ik?" (27), eindigt in "achter mij aan komen" (34). Kennen en gekend worden is verweven met het volgen.

Door in de beweging (Karmelbeweging) te gaan staan ontdek je niet wat Karmelbeweging ís, maar wat jouw beweging is in Karmelbeweging.

In het ontdekken van jouw beweging in Karmelbeweging ontdek je jouw bewogenheid.

Identiteit, betekenis, is niet wat 'de mensen' of wat wij aan iemand of iets toekennen door er een etiket op te plakken of er een beschrijving aan te verbinden. Nee, iets of iemand krijgt identiteit door ervan te getuigen met ons leven.

Het is daarom dat Petrus terecht gewezen wordt wanneer hij van Jezus zegt dat Hij de Messias is. Niet omdat dit niet waar zou zijn, maar omdat het een beeld is dat aangevuld moet worden door talloze andere ware beelden en vooral door onze eigen verbondenheid met Hem. Zo is het ook met de identiteit van Karmelbeweging en met de eigenheid van de Karmelspiritualiteit als geheel. Karmelbeweging is niet wat men er van buitenaf van vindt; ze is ook niet (alleen) wat wij zelf zeggen dat ze is. Haar identiteit krijgt gestalte door hoe zij als lekenspiritualiteit concreet wordt in ons leven.[1] Daarin zijn ons allerlei elementen en beelden lief, zoals stilte, ruimte, ‘het lege midden’, contemplatie, broeder- en zusterschap. Een element dat soms onderbelicht blijft de laatste tijd, is dat wat de regel in paragraaf 2 aanduidt als in horigheid aan Jezus Christus leven en zich aan hem trouw verknechten. Dat klinkt heftig, maar toch is het goed ons daardoor te laten bevragen en uitdagen. Religieus leven, ook karmelitaans leven, is immers altijd een bijzondere vorm van Christen-zijn in het algemeen.

Het met Hem onderweg zijn, de navolging, inclusief het op ons nemen van ons eigen kruis (en wie van ons komt dat niet dagelijks vanzelf tegen?), is wat Hem de betekenis van Messias geeft. Wij maken Hem tot Messias door met Hem in beweging – Karmelbeweging – te komen. Kunnen wij op die manier, zoals Paulus in de Kolossenzenbrief schrijft, ledematen zijn van één beweeglijk en vitaal lichaam (Kol 3,15)?

Wat is die identiteit van Karmelbeweging? Misschien wel het beeld dat uit die beweging en uit die veelheid van beelden en mensen te voorschijn komt. In die zin is het betekenisvol dat de afbeelding van Jezus op ons boekje een mozaïek is: het is opgebouwd uit talloze kleine steentjes die allemaal nodig zijn om dat ene mooie beeld van Jezus Christus tot stand te brengen.

Pierre Humblet – Denekamp, 27 maart 2009


  1. In zijn Clemens Hofbauer Blog werkt Eric Corsius deze gedachte op een vergelijkbare manier uit in de bijdrage: "Wie schenkt ons onze identiteit? Clemens Hofbauer Blog. The C.Ss.R. Charisma actualized, 14-11-2010."